Architectuur verdient geld en aandacht van alle ministeries; D'Ancona heeft gelijk: iedereen heeft iedere dag met de kwaliteit van architectuur te maken

De overheid heeft de architectuur als beleidsterrein ontdekt. Dezer dagen bespreekt de Tweede Kamer twee ministeriële nota's die voor het eerst structureel geld en aandacht aan de bouwkunst besteden. Maandag wordt de nota "Investeren in cultuur 1993-1996' van WVC behandeld, waarin een substantieel bedrag voor de bouwkunst wordt gereserveerd. De week daarop is "Ruimte voor architectuur' aan de beurt, een gezamenlijke nota van WVC en VROM.

Minister d'Ancona van WVC heeft de in Nederland gangbare onpartijdigheid van de politicus afgezworen en haar beleid door haar persoonlijke voorkeuren laten inspireren. Bouwkunst en film zijn dus, zeker in vergelijking tot andere disciplines, de dans van het Kunstenplan aardig ontsprongen. Het budget voor bouwkunst wordt niet alleen gehandhaafd, maar zelfs met vijf miljoen per jaar verhoogd.

Zoals in de Architectuurnota is afgesproken gaat het leeuwedeel daarvan naar het nieuwe "Stimuleringsfonds', dat voor de periode '92-'94 over bijna negentien miljoen beschikt. Dit fonds krijgt tot taak, de architectuur als het ware dichter bij de burger te brengen. Zo zal het bijvoorbeeld films en tv-producties medefinancieren, een informatie- en documentatiepunt voor lagere overheden oprichten, deskundigheid van opdrachtgevers bevorderen en gemeenten steunen die prijsvragen organiseren of een eigen architectuurbeleid opzetten, zoals Heerlen en Breda hebben gedaan.

Anders dan de Raad voor de Kunst voorstelde, wil minister d'Ancona niet de budgetten verhogen van het Berlage Institute voor postacademisch onderwijs in Amsterdam en het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) in Rotterdam. In de vakwereld is er kritiek op deze twee nog prille instellingen. Het postacademische centre of excellence wil nadrukkelijk een internationale reputatie opbouwen. Het docentencorps bestaat voor een groot deel uit buitenlandse beroemdheden die er bliksembezoeken brengen en meer met hun geestverwanten communiceren dan met de studenten. Aangezien slechts twee van de studenten Nederlander zijn, is de aantrekkingskracht in eigen land kennelijk ook nog niet zo groot. De oprichting van het instituut is voor een belangrijk deel te danken aan de energieke persoonlijkheid van Herman Hertzberger. Maar nu drukt hij er wel een erg zwaar persoonlijk stempel op, bijvoorbeeld door de selectie van studenten en docenten.

Zoals de Raad voor de Kunst opmerkt zijn in het NAi de naweeën nog voelbaar van de fusie van drie separate instellingen. Anders gezegd, het wil tegelijkertijd een museum en een publieksinstituut zijn. De bijzonder waardevolle archieven zijn nog moeilijk toegankelijk en het instituut gebruikt het bruikleenrecht om op protectionistische wijze het eigen tentoonstellingsbeleid veilig te stellen.

Zo wilde het NAi alleen werken uitlenen voor het grote Rietveld-overzicht dit najaar omdat het Centraal Museum in Utrecht zelf ook een Rietveld-archief heeft. Voor exposities over Cuypers en de Amsterdamse School kon de Beurs van Berlage niets lenen. Ondanks een protestbrief hierover van de Beurs aan WVC heeft het ministerie nog geen richtlijnen opgesteld. In zijn - overigens positieve - advies vraagt de Raad voor de Kunst zich af, of het NAi er goed aan doet ook nog excursies te organiseren en een eigen uitgeverij te beheren. Dergelijke nevenactiviteiten hebben aanleiding gegeven tot beschuldigingen van concurrentievervalsing. Wellicht zal het Stimuleringsfonds helpen voorkomen dat het NAi, bedoeld of onbedoeld, een monopoliepositie gaat innemen.

Ondanks deze kritiek is het niet goed de beide instituten in hun beginfase al te kortwieken. Het Berlage Institute moet de kans krijgen om volgens de oorspronkelijke bedoeling, door te groeien naar 32 studenten. Het Architectuurinstituut betrekt volgend jaar zijn nieuwe gebouw. Met een budget dat sinds de oprichting in 1988 hetzelfde is gebleven - vijf miljoen gulden - zal het moeilijker zijn het eigen bestaansrecht te bewijzen en meer bezoekers te trekken dan nu het geval is.

Niet of-of, dus, maar en-en. Dat kan alleen wanneer ook andere ministeries dan die voor cultuur alleen, zich verantwoordelijk voelen voor de inrichting van Nederland. Dat geldt vooral voor VROM, een departement dat jaarlijks twintig miljard investeert in de volkshuisvesting en vorig jaar een half miljard aan overheidsgebouwen besteedde. Dit ministerie betaalt de nieuwbouw van het NAi voor de helft (12,5 miljoen), maar gedraagt zich verder schoorvoetend waar het de bouwkunst betreft: na drie jaar onderhandelen met WVC over de Architectuurnota trekt VROM 2,5 miljoen per jaar uit voor het nieuwe Stimuleringsfonds en wil die bijdrage ook over een paar jaar "heroverwegen'.

Noch VROM, noch Onderwijs en Wetenschappen waren bereid het Berlage Institute met meer dan een startsubsidie te steunen. O & W draagt niets bij aan het Stimuleringsfonds, ondanks het feit dat dit departement vorig jaar voor ruim 1,8 miljard aan bouwopdrachten, vooral scholen, financierde.

In dit licht doet de "Scholenbouwprijs' die het ministerie volgende week voor het eerst uitlooft (“een vorm van erkenning voor het ontwerp en het gehele planproces”), dan ook bijna cynisch aan. Zelfs Defensie had vorig jaar voor bijna negenhonderd miljoen op zijn begroting staan voor bouwopdrachten, en Binnenlandse Zaken droeg ruim honderd miljoen bij aan gemeente- en politiehuisvesting.

D'Ancona heeft gelijk wanneer ze in het Kunstenplan schrijft: “Eigenlijk heeft iedereen iedere dag met de architectonische kwaliteit te maken.” Maar de persoonlijke hobby van een enkele minister zal nooit onze gebouwde omgeving tot een feest voor het oog maken. Dat betekent dat de bouwkunst niet alleen WVC ter harte mag gaan, maar dat juist ook de andere ministeries hier eens wat geld voor over moeten hebben.