Aidstest

In NRC Handelsblad van 2 juni noemt Jan P. Vandenbroucke de aidstest bij verzekering onredelijk.

En passant geeft hij de verzekeraars de schuld van het niet van de grond komen van anoniem onderzoek naar de verspreiding van het virus. Hij vergelijkt HIV-besmetting met darm- en borstkanker en kwaadaardige moedervlekken; verzekeraars zouden ten onrechte het een wel en het ander niet onderzoeken. De vergelijking gaat om twee redenen mank. De verzekeraar wil een toeloop van mensen tegengaan die, hoewel ze (nog) geen symptomen hebben, vermoeden met HIV besmet te kunnen zijn. Mensen die weten besmet te zijn dienen dat, net als mensen bij wie kanker is geconstateerd, via de vragenlijst of bij de keuring op te geven. Doen ze dat niet, dan is dat verzwijging.

HIV-besmetting treedt vooral op bij een leeftijdsgroep die nog nauwelijks getroffen wordt door kanker en een lage sterftekans kent. De HIV-test is geen paniekreactie maar de enig juiste reactie van de verzekeraar, die immers de plicht heeft de uitkeringen aan zijn verzekerden veilig te stellen, ook op lange termijn, zonder in de tussentijd de premie te kunnen verhogen; de verzekeraar moet zich dus tegen scheefgroei in zijn verzekerdenbestand wapenen. Dit soort scheefgroei (=antiselectie) kan ontstaan als mensen die vermoeden met HIV besmet te zijn zich om die reden ter verzekering aanmelden.

Vandenbroucke beweert dat de houding van verzekeraars bij bepaalde groepen argwaan heeft gewekt, wat het verbod op anoniem testen tot gevolg zou hebben gehad. Hier maakt hij het wel heel bont: het testverbod heeft te maken met ethische bezwaren tegen anoniem onderzoek en met twijfel aan het nut en staat geheel los van de verzekeringsproblematiek.