A gorgeous company

In Gardeners' World werd niet lang geleden een woord uitgesproken dat nooit eerder in dit programma werd vernomen, namelijk het woord lelijk.

De gebruikelijke politiek van het programma tot dusver was een heilig respect voor de opinie van minderheden (of, laten we eerlijk zijn, meerderheden); er bestaan nu eenmaal mensen, zo was ongeveer de redenering, die deze planten mooi vinden - die mogen we niet op hun ziel trappen. Je leutert maar een eind weg, dat het een "marvellous display' is, of dat het "het hele seizoen prachtige kleuren geeft' of iets dergelijks, maar nooit dat het 't meest naargeestige gewas is waaraan ooit een plek kostbare tuingrond werd verspild.

In dat programma, waarmee Gardeners' World kennelijk een gooi probeerde te doen naar de bovenlaag van het tuinierende publiek, zagen we Anna Pavord, de tuincorrespondent van The Independent, die precies vertelde wat ze dacht van Alan Bloom's "marvellous display' van dwergconiferen.

Het was de vervulling van een lang gekoesterde tuinbezoekersdroom. Niet meer op gedempte toon hoeven te spreken en schichtig rond te kijken of de eigenaar in de buurt is: ze kwam er onomwonden mee voor de draad, beleefd in het begin en daarna met steeds meer zelfverzekerdheid: ""Ik houd werkelijk niet van dwergconiferen.'' En inderdaad, ze waren verschrikkelijk, de ene heuvel na de andere vol met die griezels, deprimerend van kleur, allemaal hetzelfde. ""Ze hebben iets geconstipeerds,'' zei ze, ""waarom laat u ze tenminste niet uitgroeien tot hun ware afmetingen?''

Alan Bloom probeerde ze te verdedigen - ""Kijk, die daar staat in bloei,'' en wat we zagen waren wat roestige vegen op dat mistroostige groen - maar het hielp niet, voor één keer kreeg de oppositie het woord.

De dwergconifeer is bij veel tuiniers zeer geliefd, net als een andere plant waarvan Anna Pavord de aanwezigheid betreurde, namelijk heide. Heide, dat is mooi en goed in het woeste landschap van Schotland, waar je kunt zoeken naar plukjes van de soort met de gelukbrengende witte bloemetjes, of je voorstellen dat je met een handboei vastzit aan Robert Donat (of Madeleine Carroll), maar daar moet het blijven. Zelfs als de pH bij ons plotseling omsloeg naar zuur zou ik mijn tuin nog liever betegelen dan met heide beplanten.

We hebben zelf ook een conifeer gehad. Geen dwerg, helaas, want dan hadden we hem met veel minder moeite kunnen verwijderen; zelfs ik, die er een nogal conservatieve moraal op nahoud over het ombrengen van grote en gezonde gewassen in de tuin, was opgelucht hem te zien verdwijnen. Hij nam veel licht weg en gaf er niets goeds voor in de plaats, alleen maar een stuurs donkergroen en een ongerust gevoel dat hij bezig was een stuk uit de muur te trekken, want hij werd overeind gehouden met een aan het huis bevestigde kabel.

Uit niets blijkt dat coniferen er enig benul van hebben dat het voorjaar is. De seizoenen komen en gaan zonder dat deze autistische bomen ergens op reageren, vreugdeloos en eentonig of je het hele jaar moest doorbrengen met je winterjas aan. Het is waar dat ze wat groen verschaffen als het echt winter is, maar het heeft iets van verspilling om de rest van het jaar tegen de spoken van voorbije kerstfeesten aan te kijken.

Tuinen met maar één soort plant erin hebben in mijn ogen altijd iets van een leprozenkolonie. De coniferentuin, de heidetuin, de rhododendrontuin, de kruidentuin, ja zelfs de rozentuin, wat ze allemaal demonstreren is hun gemis, als je er lang naar kijkt word je er heel somber van. Ik heb eens een televisieprogramma gezien over een tuin aangelegd door een van de Rothschilds, geheel gewijd aan de rhododendron; dat stukje Engeland is dank zij een of andere samenloop van klimatologische omstandigheden een rhododendronparadijs, een tuin die maar één maand van het jaar kan worden bezocht, vergeven van de rhodo's, kleine, grote, sommige torenhoog, met bloemen in alle denkbare vormen en kleuren, terwijl met penselen gewapende kruisbestuivers rondkruipen aan hun voet om nog meer variëteiten te creëren. Het was indrukwekkend, maar niet mooi; aan het eind van het programma had ik het gevoel dat ik de eerstvolgende jaren geen rhododendron meer hoefde te zien.

Merkwaardig, als je er bij stilstaat, dat veel van zulke onbeminde gewassen zure grond verlangen: rhododendrons, azalea's, heide - is er soms een geheimzinnig verband tussen zure grond en slechte smaak? Aan de andere kant zijn de planten die echt hartgrondig gehaat worden niet aan enige bepaalde grondsoort gebonden: het afrikaantje, de rode salvia, de gladiool, de vuurpijl, de dahlia. Het is meer een klasseverschijnsel: Eleanor Perenyi merkt op hoe vreemd het is dat bloemen nooit genoemd worden bij het bekende onderscheid tussen U en non-U: ""Een merkwaardige omissie in het tuinlievende Engeland, waar bepaalde planten precies zo behept zijn met het odium van klasse als "putting the milk in first'.''

De bijna universele verachting (in de betere kringen) voor deze planten roept op haar beurt weer een soort omgekeerd snobisme op; zo is er een kleine groep stoutmoedige tuiniers die openlijk dahlia's of andere verfoeide gewassen in hun tuin hebben, veroordeeld om altijd in de verdediging te zijn als deze planten ter sprake komen.

In een ver en onschuldig verleden bestond er uiteraard niet zoiets als slechte smaak, hoewel er in de tuinierswereld wel al sinds mensenheugenis wordt geweeklaagd over de kwekers die blijkbaar vinden dat alles groter, bonter en schreeuweriger, of juist dwergachtiger moet. Iemand die daar bijvoorbeeld niet van hield was Gertrude Jekyll, en dwergconiferen kom je in haar boeken niet tegen. Ik heb wel eens gedacht dat die intense afkeer van sommige planten iets te maken had met Miss Jekyll en de anti-carpet-bedding-brigade; maar zij was gesteld op rhododendrons, azalea's en heide, en om een idee te krijgen van wat mooi werd gevonden in die idyllische zomerdagen van 1908 is het nuttig de combinaties te visualiseren die zij in haar boeken beschrijft. Bijvoorbeeld deze, in Colour schemes for the Flower Garden: ""Phlox Coquelicot, scarlet Pentstemon [schildpadbloem], orange African Marigold, scarlet Gladiolus, and, to the front, a brilliant dwarf scarlet Salvia; Helenium pumilum and scarlet and orange dwarf Nasturtium [Oostindische kers].''

Zij beschreef dit als "a gorgeous company'.