Verdwaald aan het Weena; De snelle-beeldenarchitectuur in Rotterdam

Aan het Weena in Rotterdam wordt nog druk gebouwd. Het is dus te vroeg om deze verbindingsstraat tussen Stationsplein en Hofplein als stedebouwkundige eenheid te beoordelen. Maar over de al voltooide gebouwen valt wel iets te zeggen. “Het wordt pijnlijk zichtbaar dat de commerciële bedrijfsarchitectuur van de stadsperiferie, de ijdele, oppervlakkige vormgeving van de zogenaamde brainparcs zich behaaglijk en zelfbewust aan het Weena heeft genesteld.”

In Rotterdam is een ongestoorde wandeling van het Hofplein naar het Stationsplein nog niet mogelijk. Op een aantal plaatsen aan het Weena - de weg die de twee pleinen met elkaar verbindt - wordt nog druk gebouwd en dat betekent rommelige versperringen, schuttingen, hekken en ontbrekende trottoirs. Daarom is het nog te vroeg om dit gebied als architectonisch en stedebouwkundig eenheid te beoordelen. Dat kan, of liever, mág pas als het domein van de voetganger tot de laatste vierkante meter is voltooid.

Maar omdat het grootste deel van de nieuwe architectuur aan weerszijden van het Weena al overeind staat, met als letterlijk hoogtepunt het kantoorgebouw van de Nationale Nederlanden terzijde van het Centraal Station, is een voettocht over deze stadsboulevard in verregaande staat van wording nu al een uitdagende onderneming.

Het is mooi weer. De gladde gevels van de omvangrijke bouwwerken schitteren en blikkeren in de zon. Wat we hier zien, is de oogverblindende weerspiegeling van een "toplokatie'. Het duurt even voordat het oog aan die overdaad van straling is gewend en schijn en werkelijkheid van elkaar kunnen worden gescheiden. Dan wordt pijnlijk zichtbaar dat de commerciële bedrijfsarchitectuur van de stadsperiferie, de ijdele, oppervlakkige vormgeving van de zogenaamde brainparcs zich behaaglijk en zelfbewust aan het Weena heeft genesteld. Hoewel nog niet helemaal voltooid, is nu al vast te stellen dat het nieuwe centrum van Rotterdam, in uiterlijk opzicht, buiten de stad ligt.

Het gebouw van de verzekeringsmaatschappij Stad Rotterdam, schuin voor het Hilton hotel en ontworpen door het bureau ZZ&P (1991) is een probaat toonbeeld van verdwaalde architectuur. Deze onaandoenlijke taart van zilverkleurig spiegelglas, wordt bekroond met een "skylobby' (zo heet dat) waarvan de slappe, golvende niervorm doet denken aan die moderne tafeltjes met schuine pootjes uit de jaren vijftig. De grijswitte aluminium paneelstroken die het spiegelglas in de gevel onderbreken, zouden het gebouw moeten doen aansluiten bij het Hilton hotel en het appartementencomplex aan de overkant. Maar van enige aansluiting, of afstemming is geen sprake. Integendeel, door het onbesuisde karakter van het verzekeringsgebouw, met goedkope geveleffecten als luchtbruggen voor het gemak van de glazenwassers, worden het Hilton hotel (H.A. Maaskant, 1964) en het appartementengebouw van Cees Dam (1984) aan het Hofplein, ineens wonderen van zorgvuldig uitgebalanceerde stadsarchitectuur en staat het kantoorgebouw juist akelig alleen op de verkeerde plek.

In de gevel spiegelen zich de Weenatoren (1991) en het Weenahuis (1985), een combinatiegebouw ontworpen door Henk Klunder. De bijna driekwart ronde, zilvergrijze toren is 106 meter hoog en steekt ongeveer tien meter buiten de rooilijn naar voren omdat een nabijgelegen metrobuis de fundering in de weg zat. Gelukkig laten de ramen in de vliesgevel zich als ramen herkennen en is de spiegeling van het licht getinte glas niet zo genadeloos dat het ondoorzichtig wordt. Het vermoeden dat er mensen in de toren leven en werken, wordt door beelden van binnenuit bevestigd en dat kan van de meeste gebouwen aan het Weena niet worden gezegd. Want ook het hardblauwe spiegelglas van het Weenahuis verraadt weinig van het innerlijk. En net als bij mensen die een sterk reflecterende zonnebril dragen, geldt ook voor gebouwen met spiegelgevels dat ze wel iets te verbergen zullen hebben.

Elegant

De slanke woontoren, ontworpen door Jan Hoogstad, staat schuin achter de gladde, ongrijpbare Weenatoren en is wat architectuur betreft oneindig veel interessanter. Het elegante bouwwerk is samengesteld uit verticale, rechthoekige schijven en verloopt naar boven toe gedeeltelijk trapsgewijs naar binnen. De toren verschiet niet alleen in vorm, maar aan de zuidkant ook in kleurtoon, van zwart naar grijs, naar wit. De ramen, doodgewone ramen zonder spiegelglas, zijn ritmisch heel mooi in de gevels geplaatst. Vooral uit de verte is de toren van Hoogstad een aangename verrassing, een vertoon van architectonische oorspronkelijkheid in een waaier van gemeenplaatsen. Dichterbij gaat er jammer genoeg iets van dat gevoel van opluchting verloren. De detaillering en de afwerking van het gebouw vallen tegen. Het grafische ritme van de ramen in de smalle, verticale gevelstroken blijft weliswaar mooi, naderbij gekomen blijken formaten en profielen van de ramen zelf erg grof. En de toren staat hopeloos plompverloren op de aardbodem geplant. Aan de voet lijkt door de ontwerper nauwelijks enige aandacht te zijn besteed, in elk geval veel minder zorg dan de schacht en de top ten deel zijn gevallen.

Hoogstad is ook de architect van het nieuwe hoofdkantoor van Unilever, dat op hetzelfde terrein als zijn woontoren in aanbouw is en direct aan het Weena ligt. Het reusachtige kantoorgebouw, met een vierkante plattegrond, is nog lang niet klaar. Maar het ontwerp en de elementaire vormen die nu al zijn te zien - de bovenste verdiepingslaag belanceert op heel slanke hoekkolommen - beloven een heel ongewone creatie die, Hoogstads scheppingen eigen, veel uitleg zal vergen over het hoe en vooral over het waarom. Clichématigheid valt de architectuur van Jan Hoogstad in elk geval niet te verwijten. Wat zijn ontwerpen oproepen - allereerst het nieuwe VROM-ministeriegebouw in Den Haag - is de vraag hoe we architectuur moeten beoordelen die niet vanzelf spreekt, maar in raadselen gaat gehuld. Ik ben geneigd onbegrijpelijke gebouwen met wrevel tegemoet te treden en dat staat een eventuele schoonheidsbeleving al gauw in de weg.

Beslist niet raadselachtig is het Plaza-complex van de architecten Lucas en Ellerman aan de zuidwestzijde van het Weena, daar waar vroeger een aandoenlijk hertenkamp zich in de tijd voortsleepte. Op de plaats van een paar treurige hokken, een paar mottige lama's, een paar bokken en geiten en een kaalgegraasd terrein afgezet met ontvelde boomstammetjes, is nu een aluminium glanzend complex verrezen dat inderdaad alleen maar Plaza kan heten, zo modieus ziet het er uit. Het ontwerp lijkt regelrecht te zijn gegrist uit de standaard-collectie commerciële polder-bedrijfsgebouwen uit het laatse kwart van de twintigste eeuw. De Wehkamp-catalogus voor de snelle, onbekommerde projectontwikkeling met achterin een bijlage vol bijbehorende ornamenten, beelden en decoraties. Uit deze handige gids moeten ook de schetterend vergulde beelden zijn gehaald waarmee ontwikkelaar Multi Vastgoed het Plaza-complex, naar eigen zeggen "heeft aangekleed'. Een vijf meter hoge vrouwefiguur en twee medaillons met twee blote mensparen - ontworpen door de Britse kunstenaar Theo Crosby - markeren de Plaza-arcade. Betere symbolen voor de culturele standaard van deze Plaza-aflevering zijn niet denkbaar. Een Rotterdams raadslid (Groen Links) heeft de drie gulden werken in een protest terecht "bordeel-esthetiek' genoemd en een uitgekookte woordvoerder van Multi Vastgoed heeft de veroordeling gepareerd met de opmerking: “Het monument op de Dam is ook omstreden geweest”. Dat noem ik nou eens een staaltje van projectontwikkelaars-wijsheid.

Leptosoom

Onder deze zo trefzeker aangeklede Plaza-arcade - alle nieuwe gebouwen aan het Weena hebben trouwens een arcade - stond ik een slordig opgeplakte pilaster met een veel te uitbundige fantasiekraag te bestuderen, toen een groep halfblote, opgeschoten jongens kwam aangedanst. Ze brulden uitgelaten en zwaaiden met blikjes bier, maar maakten niet een gevaarlijke, of kwaadaardige indruk. Alleen maar vrolijk van het prachtige weer en een vrije namiddag, meer niet. Uitgelaten stoven zij langs de opgedirkte Plaza-luxe en één van hen, een leptosome jongen met lang haar in een staartje riep: “Jezus, wat hebben ze hier neergeflikkerd”. Ik was getroffen. Ontegenzeggelijk bedoelde hij het Plaza-complex. Zo dun en doorzichtig is dus onze snelle-beeldenarchitectuur al geworden. Zelfs jongeren die zijn opgegroeid met disco-dreunen en video-clips en die je een algehele culturele verdoving zou toedichten, kijken er dwars doorheen.

Om dit treurige besef te verwerken, ging ik op een terrasje zitten bij het GrootHandelsgebouw (1953, Maaskant en Van Tijen) op het Stationsplein, met een, alleen door het mooie busstation van Rem Koolhaas aangenaam belemmerd uitzicht op het robuuste paradepaard van het Weena, het kantoorgebouw van de Nationale Nederlanden. Met 150 meter is dit het hoogste gebouw van ons land en het werd eind vorige maand geopend door prinses Margriet. De architect is ir. Abe Bonnema uit Hardegarijp wiens ontwerp door het verzekeringsconcern werd uitverkoren, nadat in 1986 aan vijf architecten een meervoudige opdracht was verleend. Naast Bonnema waren de deelnemers J. Coenen, Kraaijvanger Architecten, D. van Mourik, en W. Quist.

De Delftse Poort zoals de naam luidt van het gebouw waarin Nationale Nederlanden en RVS samen zetelen, wordt gedomineerd door twee platte rechthoekige wolkenkrabbers die zijn bekleed met grijs, reflecterend glas en voor omvallen worden behoed door reusachtige, driehoekige, zwarte steunberen. Door de massieve steundriehoeken, de gesloten, zwarte, zwevende parkeerlaag onder de halfronde verdieping met het bedrijfsrestaurant, de onwaarschijnlijke hoeveelheid lompe kolommen die te dicht op de buitenranden van de glazen bouwvolumes staan - de architectuur in Nederland wordt geteisterd door een kolommenrage - lijken de esoterische torenschijven geplant in een te zware, modderige en nodeloos onoverzichtelijke onderbouw. In de hoge hal, waar ook zwart overheerst, wordt de bezoeker bestookt door een teveel aan stereometrische figuren, aan driehoeken, rechthoeken, cirkels en vooral aan diagonalen. Het lijkt wel of hier de computer de rol van de kunstenaar in de ontwerper heeft overgenomen. Op de verdiepingen heerst daarentegen helderheid en de directie verzekert dat het personeel intens gelukkig is en het gebouw van Bonnema bijzonder apprecieert. Wie het bedrijfsrestaurant beziet, kan zich dat voorstellen. Deze ruimte met verschillende niveaus en de representatieve koepel-etage is ronduit schitterend, vooral ook dankzij het terughoudende karakter van materialen en tonen, aluminium, heel lichtgrijs, zwart en donker hout.

Naast deze positieve impressies van het innerlijk, die ik eerder had opgedaan, begon op het terras aan de kop van het nieuwe, glinsterende, zinderende Weena, mijn stemming over het uiterlijk van het gebouw steeds verder te dalen. Hoe langer ik er naar keek, hoe onverdragelijker werden die blinde, glinsterende glazen dozen, die op geen enkele manier prijs geven dat ze zijn bestemd voor duizenden levende, hardwerkende mensen. Architectuur die dat weet te verbloemen, deugt niet. Gevels die zelfs elke verwijzing naar een menselijke maat ontberen, zijn niet in orde. Ook drong het steeds dieper tot me door, hoe weinig het gebouw zich bekommert om de directe omgeving, hoe arrogant het is en niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk uit de hoogte. Naast de lompe voet van de Delftse Poort lag het ineens schattig geworden Centraal Station erbij alsof het zijn laatste oortje had versnoept. Vervuld van medelijden ben ik er naartoe gewandeld, weg van het Weena. Weg van een veld vol hopeloos verdwaalde gebouwen. Weg van de wijsheid van de projectontwikkelaars.