Treurspel als bonte muzikale show

Produktie Walpurgis Antwerpen: Saterzang-Antigone, lyrische tragedie in drie akten. Muziek: Luc Brewaeys, libretto en regie Dirk Opstaele. Met: Judith Vindevogel (sopraan), Rebecca de Pont Davies (mezzo-sopraan), Philip Curtis (tenor), Charles van Tassel (bariton), vijf acteurs en Wim Konink en Marcel Andriessen (slagwerk) en tape. Gezien: 11/6 Felix Meritis Amsterdam. Herhalingen: 12 en 13/6 zelfde plaats; 17, 19, 20, 21/6 Atelier Ste-Anne, Brussel

Voer voor gymnasiasten: “O lieve Artemis! De speer-doortrilde lucht raast zoevend mee.” Zo begon de Saterzang-Antigone die zich gisteren in Felix Meritis ontvouwde als een pantomimisch dansritueel op een ook al zoevend razende houten draaischijf van zes meter doorsnede. Het herinnerde aan de hellende piste van het amfitheater maar kon ook worden opgevat als symbool voor de platte aardschijf in de antieke kosmos, als het draaiende rad waarop de protagonisten hun gruwelijk noodlot niet kunnen ontlopen, wat zij ook doen, schreeuwen en zingen, lopen en springen. Librettist Dirk Opstaele laat het verhaal van Antigone zich ontwikkelen in veertien tableaus, maar het Griekse treurspel vormt slechts een kader voor het werkelijke onderwerp: Hölderlins vertaling van Sophocles' eerste stasimon “ode aan de mens”. Er zijn trouwens ook nog teksten van Montesquieu, Benjamin, d'Annunzio, Hegel, Steiner, Goethe, Anouilh en Hugo Claus. Iedereen pleegt tenslotte zelfmoord en als Kreoon eenzaam overblijft, is het duidelijk dat hij en niet Antigone de eigenlijke drager van dit curieus bonte drama mag worden genoemd.

Sterk is de symbiose van zingen en dansen en geen van de uitvoerenden heeft een duidelijke rol. Men is inwisselbaar in deze letterlijk en figuurlijk dol draaiende Saterzang waarin de kijker bewust elke zekerheid wordt ontnomen. Uit het koor treden zo nu en dan de vier geschoolde vocalisten naar voren om weer in de groep te verdwijnen. Te zamen zingen zij Hölderlins onbegeleide ode in een eenvoudige homofone zetting, met veel primaire intervallen, uitgaande van een tweestemmigheid, waar een enkele derde stem aan toegevoegd wordt, een en ander in het ritme van een barok chaconne. Het resultaat lijkt enigszins op de koren van Hindemith en Pepping. Het evocatieve bandmateriaal is veel geavanceerder: aan het begin van de eerste en tweede akte klinken vervormde strijkers in uiterst hoge ligging en dichte akkoorden. Aan Stockhausens Stimmung herinneren koorklanken, die kunnen worden afgewisseld met een bijna Kurt Weill-achtige vrolijkheid, want Brewaeys' partituur staat werkelijk voor niets. Het slagwerk is daarentegen heel streng en sober gehouden.

Deze bont afwisselende muziek draagt de voorstelling, want de akties op de draaischijf boeten aan spanning in. Iedereen is voortdurend bezig en dat vormt zowel de kracht (het echte ensemble) als de zwakte (te weinig momenten om tot rust te komen). Zulke sobere en sterke ogenblikken vormden de confrontaties van Antigone met haar zuster en van Kreoon en zijn zoon. Dat waren de ontroerende momenten die naar meer smaakten.