Toen de eekhoorn op een ochtend wakker werd ...

Toen de eekhoorn op een ochtend wakker werd hoorde hij een luid geklop op zijn muur.

“Wie is daar”, vroeg hij.

“Ik, de olifant”, zei de olifant.

Er ontstond een groot gat in de muur en de olifant stapte naar binnen.

“Waarom kom je dààr binnen?” vroeg de eekhoorn. “En niet door de deur?”

“O, pardon”, zei de olifant. “Wat onhandig van me. Zal ik weer teruggaan?”

“Nee, nee”, zei de eekhoorn.

De muur was kapot en een koude wind blies langs hun voeten.

“Wil je een kopje thee?” vroeg de eekhoorn.

“Ja graag”, zei de olifant.

Hij kreeg een kopje, maar toen hij er met zijn slurf in wilde roeren stootte hij het van de tafel.

“Hola”, riep hij.

Hij wilde het kopje nog pakken, maar greep mis en pakte de tafel beet.

“Gered”, zei hij nog. Toen bemerkte hij zijn vergissing en liet de tafel weer los, die boven op het kopje op de grond viel en brak.

“Ach, wat spijt me dat”, zei de olifant en stootte verbouwereerd nog een kast en een stoel om.

“Ik moet maar weer gaan”, zei hij. Hoofdschuddend stapte hij dwars door de deur naar buiten.

“O pardon”, riep hij nog. “Pardon!”

De eekhoorn had niets gezegd. Ik denk, dacht hij, dat hij er niets aan kan doen.

Tussen scherven en gaten zat hij op de grond. Dit is een goede gelegenheid om eens te verhuizen, dacht hij en wreef zich in zijn handen.