Ruysdael

“Je spreekt met die-en-die van een of andere krant. Ik werk aan een serie over onze rivieren en nu zoek ik iemand die wat weet over de rivier als inspiratiebron voor kunstenaars en nu hoor ik dat jij dat bent.”

Je en jij dus en een toon alsof me een prijs uit de loterij is toegevallen. Ik zeg mijn journalistieke werk te willen beperken tot de NRC.

“Je begrijpt het niet goed. Het journalistieke werk doe ik.”

“Je wilt een interview?”

“Ook niet helemaal. Ik wil met jou een eind langs de Lek lopen en dat jij dan zegt: die luchten, die bedoelde Ruysdael nou.”

“O, we gaan kijken of mij wat invalt en dan ga jij dat opschrijven. Klinkt nogal parasitair eigenlijk.”

“Parasitair? Dat is niet aardig.”

Er is over parasieten best iets aardigs te zeggen, maar dit lijkt me niet het juiste moment. Het gesprek gaat nu een tunnel in en duikt ten slotte weer op met de klassieke vraag of ik soms iemand anders weet.

“Nee”, zeg ik.

“Misschien wil je daar eens over nadenken?”

“En dan? Moet ik je dan opbellen of zo?”

“Nou, dat zou toch kunnen?”

“Wou je me in dienst nemen?” Enzovoorts. Het is reddeloos verloren, dit gesprek.

Straks krijg je de derde generatie: journalisten die meelopen met journalisten die met journalisten meelopen. In groepjes van drie gaan ze langs de Lek, speurend naar de luchten van Ruysdael.