Over de Cultuurnota en de scheiding van kunst en staat; Ho, ho, stop!

De Tweede Kamer bespreekt maandag de Nota Cultuurbeleid 1993-1996 van minister d'Ancona. Tegen deze nota is een protestbeweging opgericht, Kunsten '92, waarbij inmiddels honderdvijfendertig kunstinstellingen zich hebben aangesloten.

Lien Heyting legt uit waarom er dit keer meer aan de hand is dan "dreigende bezuinigingen' op de kunst: “Nooit eerder heeft een minister zoveel persoonlijke invloed op het kunstbeleid willen uitoefenen.”

Over de macht van de kijkcijfers in het theater, over kunst en massavermaak en over de vraag of Thorbecke's credo ("Kunst is geen regeringszaak') wel of niet achterhaald is.

Kort na haar aantreden als minister van WVC kondigde Hedy d'Ancona in een interview over het kunstbeleid aan: “Ik ben eigenwijs genoeg om te zeggen: nu ik hier even minister ben, wil ik mijn persoonlijke gedachten in praktijk brengen.”

Het is nu tweeëneenhalf jaar later en de minister heeft, met het verschijnen van haar Nota Cultuurbeleid 1993-1996, getiteld Investeren in cultuur (waarin opgenomen het Kunstenplan) haar "persoonlijke gedachten' in praktijk gebracht.

Het gevolg is dat de hele kunstwereld, inclusief de Raad voor de Kunst, tegen haar te hoop loopt. Meer dan honderd kunstinstellingen hebben zich verenigd in de protestbeweging Kunsten '92 en de Raad, die de minister over het kunstbeleid adviseert, heeft als reactie op haar nota onder de neutrale titel "Vervolgadvies' een vernietigende kritiek gepubliceerd die soms meer wegheeft van een regelrechte aanklacht.

Nu protesteren kunstenaars wel vaker bij dreigende bezuinigingen en hun "geschokte', "verbouwereerde', "verbijsterde', "onthutste', "teleurgestelde' en "verontwaardigde' reacties op het Kunstenplan kwamen ons bekend voor. (Alleen Monumentenzorg liet een nieuw geluid horen door vorige week donderdag in 200 torens langdurig de noodklok te luiden).

Maar er is dit keer meer aan de hand dan "dreigende bezuinigingen'.

Het kunstbeleid van minister d'Ancona, zoals ze dat nu in haar nota uiteenzet, is een aaneenschakeling van ongerijmdheden en moeilijk te begrijpen beslissingen. Nooit eerder heeft een minister zoveel persoonlijke invloed op het kunstbeleid willen uitoefenen, maar het is ook nooit eerder gebeurd dat een minister van Cultuur zo onder druk stond van het Ministerie van Financiën als nu het geval is.

Een jaar geleden waren er de eerste voortekenen van een rechtstreekse inmenging van Financiën in het kunstbeleid. In de zogenoemde Subsidiebijbel, een onderzoek naar de doelmatigheid van overheidssubsidies, werden ook de gesubsidieerde podiumkunsten door Financiën onder de loep genomen. De onderzoekers van Financiën gingen niet in de zaal zitten om van de voorstellingen te genieten, ze gingen bij de kassa staan om de inkomsten te tellen. Die zouden wel wat hoger kunnen zijn, zo lieten ze de minister van Cultuur weten. En de minister van Cultuur, die tot dan toe in haar redevoeringen gesproken had over de mooie taak van de overheid de "cultuur te beschermen en te laten gedijen', over de "kwaliteit van de kunst', liet plotseling andere geluiden horen: ze sprak van "subsidieverslaving' en een "versterking van de marktsector'.

Wie nu het Kunstenplan leest, ziet dat het Ministerie van Financiën het kunstbeleid intussen stevig in de tang heeft genomen. Zeker, minister d'Ancona schrijft in haar Kunstenplan dikwijls over "de kernbegrippen kwaliteit en verscheidenheid, die - ook wettelijk - zullen gelden als de leidende beginselen van het cultuurbeleid van de rijksoverheid', over de "waarde van culturele processen', over marginale kunstuitingen die "later van grote betekenis blijken te zijn', over "de breedte van het culturele spectrum', maar elke keer worden haar mooie woorden over het belang van bloeiende kunsten die zich vrij kunnen ontplooien gevolgd door strenge taal over de "eigen inkomsten': de kunstinstellingen moeten meer geld gaan verdienen, het publiek moet toenemen en het moet een grotere duit in het zakje gooien.

De nota Investeren in cultuur is hierdoor een buitengewoon tweeslachtig werkstuk geworden. Dit geldt vooral voor de hoofdstukken die aan de podiumkunsten, aan dans, muziek, toneel en mime gewijd zijn. In deze hoofdstukken wordt steeds weer naar het publiek en de kassa verwezen.

Maar wie kwalitatief hoogstaande kunst wil bevorderen, kan de kijk- en luistercijfers niet al te sterk laten meeregeren. Want dat is wat de minister doet: ze introduceert de kijkcijfers in het theater. (Overigens zonder deze beladen term te gebruiken; de minister spreekt liever van "publieksparticipatie').

Tot welk aanbod de macht van de kijkcijfers leidt, heeft de televisie ons geleerd: tot pulp.

In een recent interview in het Algemeen Dagblad zegt de minister: “Gezelschappen die op dit moment te weinig publiek trekken, moeten eerst maar zorgen dat de zaal voller wordt”, en in het Kunstenplan laat ze, in een iets gesoigneerder taal, keer op keer woorden van gelijke strekking horen. De podiumkunsten moeten, daar komt het verhaal op neer, meer rekening houden met de smaak van het grote publiek en om dat te bereiken heeft ze verstrekkende maatregelen getroffen.

Deze maatregelen zijn bedacht door het ministerie van Financiën, om precies te zijn door de Heroverwegingswerkgroep Podiumkunsten die dit voorjaar met een uitvoerig rapport kwam. Dat een door Financiën geïnstalleerde interdepartementale werkgroep probeert de overheidsuitgaven terug te dringen, is begrijpelijk. Het wekt ook geen verbazing dat een dergelijke werkgroep zich niet vermeit in beschouwingen over de waarde van de kunst, over de vraag waarom lol en geweld op de tv zichzelf wel kan bedruipen en een uitvoering van klassiek toneel niet.

Zo'n door Financiën aangewezen werkgroep kijkt naar geldstromen en schrijft over de podiumkunstgezelschappen: “Hogere toegangsprijzen, een meer op de smaak van het publiek aansluitende programmering en wellicht een grotere efficiency (-) kunnen ertoe leiden dat de baten en lasten meer naar elkaar toegroeien.”

Een minister van Cultuur moet natuurlijk ook naar geld kijken, zich aan een budget houden, maar de wet legt haar, binnen dat budget, allereerst een andere verplichting op. De Wet op het Specifiek Cultuurbeleid, die onlangs ter behandeling naar de Tweede Kamer werd gezonden, stelt: “Onze Minister is belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen met, naar het oordeel van Onze Minister, landelijke betekenis; hij laat zich daarbij leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid.”

Overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid en geen rekensommen van Financiën.

De minister moet allereerst zorgen dat kunstenaars in staat zijn goede en originele toneel-, dans- en muziekuitvoeringen te maken (kwaliteit; dit geldt natuurlijk ook voor de overige kunsten), in verschillende genres (verscheidenheid). Dan pas komt de "spreiding' van dat alles. Ze moet de zaak niet omdraaien: eerst naar het publiek kijken en dan pas naar de kwaliteit.

Bij het Kunstenplan dringt de vraag zich op of deze minister zich wel aan de opdracht van de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid gehouden heeft. In elk geval staat haar nota, door de inmenging van het Ministerie van Financiën, op gespannen voet met deze wet.

Boodschap

Is het werkelijk zo somber gesteld met de podiumkunsten, wordt er alleen nog maar voor stoelen en niet meer voor mensen gedanst, gespeeld en gezongen?

Bij ballet en dans, bij opera's, operettes en muziek is er niets aan de hand: er is ongeveer evenveel publiek voor deze kunsten als vijftien jaar geleden en de zalen zitten redelijk vol. Alleen bij het toneel is het aantal uitvoeringen per jaar (vergeleken met het seizoen '75-'76) met ongeveer eenderde deel afgenomen en ook het publiek liep hier gestaag terug (van 71 bezoekers per 1000 inwoners in '75-'76 naar 37 in 1989-'90. Dit laatste getal moet iets hoger zijn omdat 41 uitvoeringen met een onbekend aantal bezoekers buiten de berekening bleven.)

Het ligt voor de hand dat een minister van Cultuur die met deze cijfers geconfronteerd wordt, eerst eens laat onderzoeken wat de oorzaak is van die slinkende belangstelling voor het toneel. Wie de oorzaak kent, kan immers naar oplossingen gaan zoeken.

In de jaren zeventig waren er verschillende voor het publiek herkenbare toneelgroepen, met vaste acteurs en regisseurs, zoals Baal en het Werkteater. Voor zulke groepen was het makkelijker een eigen schare toeschouwers te vinden, dan nu bijvoorbeeld voor het Theater van het Oosten, een "toneelvoorziening' die geen eigen acteurs heeft, maar met steeds wisselende contractanten moet werken. Het is tekenend dat ook in deze tijd juist de meest herkenbare en geprononceerde toneelgezelschappen (zoals de Appel van Erik Vos en de Toneelgroep Amsterdam van Gerardjan Rijnders) er in slaagden een eigen publiek op te bouwen.

Een andere oorzaak zou kunnen zijn dat het toneel van alle podiumkunsten het meest de neiging heeft iets te willen vertellen, soms zelfs een boodschap uit te dragen, en dat past misschien niet zo bij de tijdgeest van deze jaren. (Maar zoiets kan ineens omslaan).

En dan zijn er de schouwburgdirecteuren, van wie een groot deel liever musicals of blijspelen programmeert dan het wat moeilijkere, serieuze repertoire. Zo krijgt bijvoorbeeld Toneelgroep Amsterdam maar zelden de kans een voorstelling in de provincie meer dan één avond achtereen te spelen. Als de recensie in de plaatselijke krant verschijnt, is de voorstelling alweer verdwenen. Het langer doorspelen van succesvolle voorstellingen stuit ook op allerlei barrières waar de gezelschappen niets aan kunnen doen. Het kan geen toeval zijn, dat de paar schouwburgdirecteuren die zelf dol zijn op toneel, daar ook altijd een publiek voor weten te interesseren. (Gerrit Korthals Altes, zakelijk leider van Toneelgroep Amsterdam, vertelde me dat bijvoorbeeld in de Haarlemse Toneelschuur, in Alphen aan de Rijn en Nijmegen de zalen meestal vol zitten, dankzij het enthousiasme van hun directeuren).

Misschien hebben de teruglopende publiekcijfers ook te maken met het toegenomen aantal kleine-zaalprodukties bij het toneel, misschien zijn er nog heel andere oorzaken, maar het is duidelijk dat de minister verzuimt zich in deze materie te verdiepen.

Nee, ze laat zich door de Heroverwegingswerkgroep een maatregel dicteren, zonder “Ho, ho, stop!”, te roepen tegen die werkgroep en mee te delen dat ze eerst eens even wil kijken wat de gevolgen van die maatregel zullen zijn. (De "maatregel' houdt in dat de gezelschappen minimaal 15 procent van de inkomsten zelf moeten verdienen; van die eigen verdiensten moeten ze nu 12,5 procent afdragen en ook krijgen ze over de hele omzet nogeens een korting van 2,5 procent).

De inkomenseis en subsidiekorting die aan de toneelgezelschappen (en zonder motivering ook aan dansgroepen en orkesten) wordt opgelegd, zullen niet tot hogere publiekscijfers leiden, maar tot nog minder voorstellingen, tot een kleiner publiek en tot ontslagen, dus meer werkloze acteurs, dansers en musici. Bovendien zijn de gezelschappen die volle zalen trekken en dus allang meer dan 15 procent eigen inkomsten hebben, extra de klos: zij moeten immers van die eigen inkomsten 12,5 procent gaan afdragen aan WVC.

Dit is overtuigend aangetoond door een onderzoek dat de Vereniging van Nederlandse Toneelgezelschappen meteen na het verschijnen van het Kunstenplan heeft laten uitvoeren.¹

Als minister d'Ancona, onder druk van Financiën, zo hevig bezuinigt op de podiumgezelschappen en daarbij roept dat ze eerst maar eens moeten "zorgen dat de zaal voller wordt', dan doet ze iets wat ze als minister van Cultuur niet mag doen. Ze weet heel goed dat het toneel met het programmeren van dolkomische blijspelen in een beproefde enscenering volle zalen kan trekken. Maar dat is de taak niet van de gesubsidieerde toneelmakers. Die worden geacht het publiek elke keer weer te verrassen met een originele, naar eigen inzichten en fantasie gecreëerde voorstelling. En dan mag het publiek vervolgens de toneelmakers verrassen met zijn onvoorspelbare smaak: keer op keer blijkt dat moeilijke voorstellingen, waarvan niemand het verwachtte, ineens kassuccessen zijn, zoals bijvoorbeeld Heldenplatz van Thomas Bernhard bij het Nationale Toneel, Lulu van Wedekind bij Toneelgroep Amsterdam, of Thyestes in de bewerking van Hugo Claus bij het Zuidelijk Toneel.

Furieus

De Raad voor de Kunst reageerde in zijn Vervolgadvies furieus en wanhopig op het Kunstenplan van de minister en deed een poging te redden wat er te redden valt met het voorstel het kunstbudget nu met twaalf miljoen te verhogen. (Dat is iets minder dan het bedrag dat de minister op de podiumkunsten wil bezuinigen).

De Raad betoogt dat de percentages aan eigen inkomsten van de gesubsidieerde gezelschappen in Nederland weinig afwijken van die in andere Westeuropese landen. (In sommige van die landen, zoals Frankrijk en Duitsland, ligt de subsidie verhoudingsgewijs veel hoger). En net als het rapport dat de Vereniging van Nederlandse Toneelgezelschappen liet uitbrengen, komt ook de Raad tot de treurige slotsom dat de minister met haar "maatregel' precies het tegenovergestelde bereikt van wat ze beoogt.

In de Wet op de Raad voor de Kunst zijn de bevoegdheden van de minister en de Raad en hun onderlinge samenwerking geregeld. Bij het opstellen van haar Kunstenplan heeft de minister zich ook aan verschillende bepalingen in deze wet weinig gelegen laten liggen. De Wet stelt dat de minister van Cultuur verplicht is de Raad advies te vragen "voor alle belangrijke maatregelen op het gebied van de kunsten die hij voornemens is te treffen en te bevorderen.' Voor haar "maatregel', die verstrekkende gevolgen heeft, heeft de minister dat advies niet gevraagd. Het is zelfs nog erger.

In oktober 1991 stuurde minister d'Ancona haar Adviesaanvraag Kunstbeleid 1993-96 naar de Raad voor de Kunst. Hierin formuleerde d'Ancona de uitgangspunten en de "financiële kaders' voor het door haar te voeren beleid. De Raad voor de Kunst moest zich vervolgens bij het opstellen van de adviezen over de kunstsubsidies aan deze uitgangspunten houden en heeft dat ook gedaan.

Nadat het Advies van de Raad was verschenen, maakte de minister haar Kunstenplan. En daarin bleek dat zij plotseling op verschillende van haar eigen uitgangspunten - die de Raad als leidraad gebruikt had - was teruggekomen. In haar Aanvraag kondigde ze aan te willen bezuinigen op muziek en opera in de regio. In het Kunstenplan bleek ze (onder druk van de provincies buiten de randstad) van gedachten veranderd: ze schoof het raadsadvies terzijde en spreidde met haar "maatregel' de voorgenomen orkestbezuinigingen uit over alle podiumkunstgezelschappen. Zo zijn er meer voorbeelden van vreemde zwenkbewegingen waarbij de minister op haar eigen uitgangspunten en de daarop gebaseerde raadsadviezen terugkwam en het is dan ook begrijpelijk dat de Raad voor de Kunst zich afvraagt of haar handelwijze nog wel met de wet te verenigen is.

De minister wijkt niet alleen in sommige grote lijnen af van het raadsadvies, ze is er ook niet voor terug gedeinsd in allerlei onderdelen haar eigen zin door te zetten. Adviseert de Raad meer geld vrij te maken voor podiumkunstprojecten, de minister schuift dat geld naar film en bouwkunst; vroeg de minister aan de Raad om extra aandacht te besteden aan de "internationalisering' van de kunsten, in haar nota blijkt dit thema, gemeten naar het geld dat zij ervoor over heeft, minder zwaar te wegen. Ook bij de beslissingen over het al of niet voortbestaan van afzonderlijke groepen heeft de minister gemeend haar "persoonlijke gedachten in praktijk' te moeten brengen en de raadsadviezen te negeren. Hier begeeft ze zich op gevaarlijk terrein. Wanneer de Raad voor de Kunst argumenten aanvoert om bijvoorbeeld het gezelschap Bewth niet langer te subsidiëren, en de minister besluit (zonder opgaaf van redenen) om dat wel te doen, dan is het voorstelbaar dat de Raad die gang van zaken "zorgelijk' noemt.

Eigen smaak

Moet een minister van Cultuur haar eigen smaak, haar "persoonlijke gedachten' dan helemaal buiten haar kunstbeleid houden? Is het standpunt van Thorbecke - Kunst is geen regeringszaak - niet achterhaald? Thorbecke's credo kwam voort uit de liberale gedachte dat een regering geen mening hoort te hebben over welke kunst goed en welke slecht is, zoals een regering bij een scheiding van kerk en staat ook geen religieuze overtuiging oplegt aan het volk.

Maar in de negentiende eeuw, in Thorbecke's tijd, beheerde de overheid slechts een klein deel van 's lands financiën, nu is dat zo'n zestig procent. De overheid is de belangrijkste economische macht geworden en de greep van de overheid op de samenleving wordt elk jaar groter. Ideeën over welke taken wel en welke niet bij de overheid thuishoren, zijn nu minder principieel en veel pragmatischer dan voorheen. Over de hele linie hebben ministers meer bevoegdheden en dus meer macht gekregen.

Het probleem bij de kunsten is, dat het beleid niet alleen in regels en wetten tot uiting komt, maar mensen heel direct treft: een kunstenaar of een groep krijgt wel of niet geld om te kunnen werken. De minister beschikt over hun bestaan als kunstenaar. Daarom zou juist een minister van Cultuur zich bescheiden moeten opstellen en de beoordeling moeten overlaten aan deskundigen die daartoe zijn aangewezen. Vorige ministers deden dat ook, zij hielden zich aan de uitspraak van cultuurminister M. Klompé (“Over kunst word ik niet geacht een mening te hebben.”) en ze traden, op een enkele uitzondering na, niet op als kunstcriticus, zoals minister d'Ancona nu heel bewust wel doet.

In de inleiding van haar cultuurnota schrijft ze: “Zo is de typische situatie ontstaan dat de overheid een belangrijke rol speelt in het bevorderen van het culturele leven, maar dat het inhoudelijk oordeel wordt uitgesproken door kenners, door deskundige adviseurs (-).” Vergis ik me, of schuilt er in deze zin een zekere onwilligheid om zich te voegen naar deze "typische situatie'?

In het Heroverwegingsrapport Podiumkunsten wordt het principe van de cultuurminister die haar eigen meningen over de kunsten discreet voor zich houdt met nog meer reserve geformuleerd. Bij een passage over de doelstellingen van het kunstbeleid staat: “Tezelfdertijd geldt te onzent nog altijd de stelregel dat de overheid zich van een inhoudelijke beoordeling van kunstexpressies dient te onthouden.”

Nog altijd.

Maar hoelang nog, zo vraagt de lezer zich ongerust af.

Als de Raad voor de Kunst meent dat de verrichtingen van de Dogtroep, die vaak in het buitenland optreedt, "al jarenlang hetzelfde blijven', en "niet een voorbeeld vormen van het beste dat het Nederlandse theater presteert', de stijl van deze groep "kinderlijk' en "voorspelbaar' noemt en op grond van deze en andere overwegingen adviseert de Dogtroep niet langer te subsidiëren, mag de minister dat advies dan weggooien omdat ze zelf nu juist vindt dat de Dogtroep zo'n "internationale uitstraling' heeft? (Er zijn ook voorbeelden waarbij de Raad positief adviseerde en de minister, omdat ze er een andere mening op na hield, een negatieve beslissing nam).

Twee jaar geleden zei d'Ancona in een interview: “Ik erger me aan lelijke gebouwen.” Ze vond dat er in Nederland met meer aandacht gebouwd moet worden. In De Groene Amsterdammer vertelde ze vorige maand: “(-) het is ook niet gek dat ik me interesseer voor vormgeving en bouwkunst. Daar hebben socialisten altijd veel ideeen over gehad.” De minister hoeft haar belangstelling voor architectuur niet te verhullen, maar als dat tot gevolg heeft dat ze in haar Kunstenplan twee miljoen extra geeft aan het Stimuleringsfonds voor de Bouwkunst, een fonds waarvoor volgens de Raad "al een ruim bedrag is gereserveerd', gaat ze dan niet te ver? Aan die twee miljoen was door de Raad een heel andere bestemming gegeven, maar zonder motivering wijkt de minister hiervan af.

Waar dient de Raad voor de Kunst nog voor, als de minister elk willekeurig advies voor haar eigen ideeen kan inwisselen?

Socialisten houden van bouwkunst, volgens de minister. Stel dat de volgende minister van Cultuur een VVD-er is, die zegt: “Wij van de VVD hebben altijd veel van klassiek ballet gehouden, dus dat gaan we nu eens fijn spekken?” Als elke minister het Kunstenplan aangrijpt om de boel naar zijn eigen inzicht om te gooien, dan zijn die vierjaarlijkse kunstenplannen bepaald geen zegen. We kunnen alleen maar hopen dat de toekomstige ministers van WVC zich minder despotisch zullen opstellen.

Vertier

Het is natuurlijk niet makkelijk minister van Cultuur te zijn in een samenleving die zich loszingt van de kunsten en steeds meer afglijdt naar plat vertier. Bij de televisie heerst de wet: geen cultuur voor 23 uur, de schaarse kunstprogramma's beginnen pas als de meeste kijkers al in bed liggen. Zolang dat zo blijft, is al het geld dat de minister in "culturele omroepproducties' wil steken parels voor de omroepzwijnen.

Een minister van Cultuur is geen minister van Massavermaak, hoe graag ze dat ook zou willen. Zo'n minister moet de kunst, de kunstenaars beschermen, dat en niets anders is haar taak.

Minister d'Ancona heeft na alle woedende reacties laten weten dat zij "geen onmens is' en open staat voor overleg. Dat is wel het minste wat we mogen verwachten.

De Tweede Kamer moet nu haar oordeel geven over de Nota Cultuurbeleid 1993-1996. Het zou rechtvaardig zijn als de Kamer de minister de opdracht zou geven dit werk over te doen. Helaas is dit niet mogelijk. De gezelschappen moeten immers hun contracten afsluiten voor volgend jaar. Misschien is het verstandig om in de toekomst de Kunstenplannen in een eerder stadium uit te brengen.

De Kamer kan nu nog wel een reddingsoperatie voor de kunsten organiseren.

Het geld dat de minister, (vaak in strijd met de adviezen van de Raad voor de Kunst) heeft uitgedeeld, ondermeer aan instellingen waar socialisten altijd een warme belangstelling voor hadden, kan niet meer worden teruggenomen, dat zou helemaal een chaos scheppen.

Het enige dat er nu opzit is: meer geld voor de kunst; het is niet anders.

De Raad voor de Kunst adviseerde, zeer bescheiden, twaalf miljoen.

¹De prijs van het toneel. Een onderzoek naar de inkomstenmaatregel voor de toneelsector.