Oude Humor Blijft Goed; Reisverhalen van S.J. Perelman

S.J. Perelman: De familie Perelman Crusoe. Vertaling Barbara van Kooten. Uitg. De Bezige Bij, 216 blz. Prijs ƒ 34,50

Wie in het tweede kwart van deze eeuw in Amerika wilde lachen, hoefde niet anders te doen dan elke week de New Yorker te kopen en te zien wat Robert Benchley, James Thurber of Sidney J. Perelman nu weer verzonnen hadden.

Perelman (1904-1975) schreef teksten voor de films van de Marx-broeders. Hij is schatplichtig aan Stephen Leacock en H.L. Mencken en is op zijn beurt het grote voorbeeld van Woody Allen. In zijn reisverhalen benadert Perelman de Afrikaanse Impressies van Raymond Roussel, de Franse surrealist die, waar hij ook over schreef, alleen maar over de woorden schreef. Amerikaanse surrealisten bedoelen het gelukkig altijd komisch.

Perelman verstopt in elke zin een Amerikaans liedje, straathoek, filmheld of ander volksbezit, wat tot gevolg heeft dat zijn proza een verouderde indruk maakt. Maar ook zijn tijdgenoten kunnen onmogelijk alle toespelingen begrepen hebben. In zijn totaal onbeheerste overdrijving, zijn nooit ergens op slaande vergelijkingen en zijn volzinnen die nooit goed lijken te kunnen aflopen, maar dat toch steeds weer doen, is Perelman nog steeds genietbaar. Het leek mij onmogelijk hem te vertalen. Maar dat is nu toch gebeurd met de reisverhalen die Perelman in 1949 en 1950 in Holiday publiceerde en die verzameld werden in The Swiss Family Perelman (ook een Penguin).

De schrijver, die geen moeite doet zich van de ik-persoon te onderscheiden, belandt met vrouw en kinderen in telkens een nieuwe toeristenval, geeft veel te veel geld uit aan lelijke souvenirs, doet wat alle toeristen doen, en na een week kijken ze elkaar aan en besluiten dat ze nodig eens verder moeten. Dat lijkt een heel vervelend verhaal, met een onsympathieke hoofdpersoon, maar de reisverhalen zijn voor Perelman alleen maar een aanleiding om zijn lezers de wildste overdrijvingen voor te toveren.

De Nederlandse uitgever heeft waarschijnlijk dit boek uitverkoren, omdat Perelman op zijn Aziatische reis ook de laatste dagen van ons Indië meemaakt. Met dodelijke nonchalance doet Perelman net of de Nederlandse kolonialen Duits spraken. De terloopse opmerkingen: dat ze vanwege de politionele acties Soerabaja niet in mochten, en dat op Nieuw Guinea een Shell-potentaat probeert om Perelman te censureren, maken bij al die onzinnige en duidelijk verzonnen gebeurtenissen een ware indruk.

De vertaalster moet duizenden Amerikaanse curiositeiten thuisgebracht hebben en duizenden woordspelingen gereconstrueerd hebben. Het begint al met de eerste letter van het eerste woord van de titel van het eerste hoofdstuk. Dat hoofdstuk heet Rancours Aweigh. Wat te doen met die R die van een anker een rancune maakt? De Nederlandse titel van het hoofdstuk werd: Licht het gekanker.

Zo'n vertaling begin je met zin en vertrouwen te lezen. En je wordt niet teleurgesteld. Natuurlijk kan de lezer nooit het compliment maken dat de vertaling “leest alsof het in het Nederlands geschreven was”. Perelman kan nu eenmaal uitsluitend Amerikaans zijn. Dat weet hij zelf ook. Hij schetst zichzelf als een onsympathieke karikaturale chauvinistische Amerikaan en dan klaagt hij nog dat de inwoners van de verre landen die hij bezoekt, wel eens wat tegen Amerikanen hebben!

Welk Nederlands boek biedt op elke pagina een onbekend woord, zoals: zirkonen, malachiet, pofadder, billebabbels, schalie, aalgeer, angostura, psylliumzaad, pecadille, nep-bruyère, yoerten, tiepetein, ranok? Die woorden zult u niet kennen. Maar ik verzeker u dat de gemiddelde Amerikaan uit 1950 hun Engelse originelen ook niet kende. Vaak denk je: dat woord verzon hij, maar zoeken in dikke woordenboeken leert je dan meestal het tegendeel.

De humor van Benchley, Thurber en Perelman is grotendeels vergeten. Ten onrechte. Hier en daar zie je hun opvolgers. In het Nederlandse taalgebied ken ik alleen Jan Mulder die in sommige van de idiote opholslaanderijen waarin zijn beste columns eindigen, de geest van Perelman oproept. Perelman slaat onophoudelijk op hol. Er komt geen normale zin uit zijn pen. Citeren? Dan willekeurig. Ik sla het boek open en tik over:

(pag. 143) Een klap in je maag van een vliegende Hindoe doet bij het wakker worden in het algemeen minder prettig aan dan het geklingel van het angelus in de verte of de liefkozing van een Kaukasische slavin.

Wat is nu het leukste in zo'n zin? Juist: de drie woorden in het algemeen.