Oranje compenseert een gebrek aan identiteit'

Wat zegt de "Oranje-koorts' over de identiteit van Nederland? Wie kijkt er wel en wie niet? En wie wordt Europees kampioen? Tien meningen uit de wereld van politiek, kunst en cultuur, wetenschap, sport en bedrijfsleven.

H. MULISCH, schrijver

“Voetbal valt buiten mijn geestelijk universum. Het is debilisering. Ze vermoorden elkaar op het veld, net als vroeger in het Colosseum in Rome. Het Nederlandse volk beschouwt zichzelf als nuchter, maar krijgt altijd weer last van geestelijke kolieken.”

Dr. A. PEPER, burgemeester van Rotterdam, socioloog en ex-profvoetballer

“Het doet pijn dat ik door mijn werk niet alle wedstrijden kan zien. Toen ik vroeger aan de Nederlandse Economische Hogeschool werkte, werd er met dédain naar dit volkse en vulgaire gekeken, maar nu kan iedereen er voor uitkomen dat hij voetballiefhebber is. Ik ben lid van een werkgroep die zich buigt over de maatschappelijke betekenis van sport. Sport heeft belangrijke functies van de kerk en van het gezin overgenomen. Het met elkaar iets tot stand brengen, het wennen aan het idee van competitie, het leren van sportiviteit en de maatschappelijke integratie van allochtonen.

De gekte van nu heeft iets van een symbool van eenheid. Het gevoel Nederlander te zijn is door de individualisering en massacommunicatie niet meer gekoppeld aan vaste instituties en noties, zoals vroeger de strijd tegen het water. Dat kleine Nederland met die gigantisch mooie voetballers verslaat toch maar Jan, Piet en Klaas, en dat compenseert een gebrek aan identiteit. In een toto heb ik voorspeld dat Engeland in de finale met 3-2 van Duitsland wint, maar ik hoop dat Nederland kampioen wordt.''

Prof.dr. H. DE DOELDER, hoogleraar strafrecht, voorzitter van de commissie van beroep betaald voetbal en rechter- en raadsheer-plaatsvervanger

“Ik kijk meelevend. Voetbal is me met de paplepel ingegoten door mijn vader die voorzitter was van ADO. Die opwinding van nu zegt niet zoveel over Nederland. In Frankrijk en Italië spelen dergelijke taferelen zich ook af. Het is een gezond nationalistisch gevoel. Het is wel aan mode onderhevig en dat komt door de zuidelijke landen. Ik hoop dat Nederland wint, maar ik vrees voor Frankrijk.”

Drs. M. DE JONG, voorzitter van de NOS

“Als we net zo ver komen als in 1988, kijk ik natuurlijk. De opwinding rond Oranje heeft te maken met een basisbehoefte om betrokken te raken bij grote uitdagingen, die blijkbaar je land raken.

We zitten in de laatste fase van een soort emotionele betrokkenheid bij een verdampende samenleving. Er is nog wel een Nederlandse identiteit, maar als er geen zaken meer zijn die een volk echt verbinden, ontstaat er desintegratie. Het heeft ook iets van decadentie. Het is de welvaart die ons toestaat onevenredig te reageren op een sportwedstrijd. Wat kan ons in vredesnaam nog opwinden?

Ik hoop dat we kampioen worden. Maar als de ploeg zelfvoldaan de strijd ingaat, zouden we geen kampioen mógen worden. Ik hou niet van zelfvoldaanheid.''

Prof. dr. P.A. VROON, hoogleraar in de functieleer en de theoretische psychologie

“Mijn belangstelling voor voetbal is nul-komma-núl. Dat het weer aan de gang is, merk ik pas op als de auto's ineens allemaal rondrijden met zo'n oranje balletje op de antenne. Dat wij-gevoel ken ik niet. Ik vind het al moeilijk genoeg mijn kennissenkring van 23 man bijeen te houden.”

AVITAL SELINGER, aanvoerder van het Nederlands volleybalteam

“Dit weekeinde spelen we in Cuba. Na terugkeer zal ik het zeker volgen. In Nederland is men gewoonlijk negatief ingesteld, en dan is het toch geweldig als mensen zo veel lol kunnen beleven. In Israel, waar ik gewoond heb, zijn er vaker dit soort uitbarstingen van blijheid. Daar springen mensen al in de fontein als een basketballploeg de Europa-cup wint. Door de hoge verwachtingen is het enthousiasme misschien nu wat geforceerd. Maar zelf denk ik ook dat ze kampioen worden.”

J. WOLKERS, schrijver

“In de laatste oefenwedstrijd van Oranje tegen Frankrijk miste ik Danny Blind. Vanwege zijn snelheid. Het is toch geen Ajax. Koeman blijft maar achterhangen. Ik zie liever Jonk. Die neemt risico's. Zo nu en dan zal ik kijken, maar ik moet nog zoveel doen in mijn atelier.

Die Oranje-hysterie vind ik weerzinwekkend. De mensen hebben kennelijk niks anders voor handen. Ze zijn te stom om te lezen. Het is net als bij de Romeinen: brood en spelen, dàt schijnt het volk te willen. In de tijd van Cruijff, Keizer en Swart was er geen hysterie. De meeste mensen die nu naar het voetbal gaan, kijken niet eens. Ze staan met de rug naar het veld en hakken op elkaar in. Dames op duurdere plaatsen slaan elkaar met tassen en zij die ongesteld zijn, snoeren elkaar de mond met maandverbanden.

Als ik Danny Blind een paar mooie acties zie doen, ben ik tevreden. Ik hoop dat hij meedoet.''

Prof.dr. A. DE SWAAN, socioloog

“Ik zit nog tot het einde van de maand in Amerika. Als ik in Nederland was geweest, was ik zeker gaan kijken. Ik vind de sociologie van het voetbal interessant. Ik ben gevoelig voor massahysterie en beleef het zelf ook. Als het lukt om met miljoenen mensen door Amsterdam te golven zoals in 1988 - zonder schade aan te richten - is dat een prestatie.

Gevoelens van betrokkenheid komen altijd tot stand door sommige mensen n en anderen buiten te sluiten. Wanneer je voor het buurtelftal bent, sluit je een andere buurt uit. Datzelfde gebeurt als Ajax tegen Feyenoord speelt. Je denkt dus in steeds wijdere cirkels. Nu zijn we verheugd over het gedeelde Nederlanderschap, en dat betekent in elk geval niet-Duits zijn. In een klein land ontstaat zo'n mechanisme sneller.

Het nationalistisch gevoel hangt ook samen met het succes dat een natie boekt. Economisch is Nederland misschien succesvol, maar politiek en diplomatiek slaan we soms een figuur. Een gevoel van "samen met Lubbers tegen de wereld' zit er niet in.

Voetbal is een van de weinige bindende thema's in ons land. Verder zijn het alleen de oorlog en de collaboratie, waarvoor je alle Nederlanders op het dak kan krijgen, of een lelijke opmerking over de koningin, die een reactie kan oproepen. Ik zie de opwinding van nu als een teken van vrede: de mensen hebben geen sores aan hun hoofd. Ik heb geen notie wie er gaat winnen.''

Mr. J.N.M. RICHELLE, directeur-generaal Welzijn op het ministerie van WVC

“Ik volg de wedstrijden niet met kratten bier in de aanslag, maar een enkele kreet wil mij wel eens ontsnappen. We behoren tot een land dat niet uitblinkt in het meezingen van het volkslied en er evenmin prat op gaat Nederlander te zijn, maar nu kent onze trots plotseling geen grenzen. We behoren even tot dezelfde club, die met zijn elven achter die bal aanrennen.”

C. JANSMA, presentator Studio Sport

“Ik hoop dat het elftal goed gaat spelen, maar als dat niet zo is, heb ik daar geen last van. Ik heb maar één keer gejuicht bij het Nederlands elftal, in 1988 in de wedstrijd tegen Ierland toen het vreselijk spannend was en Kieft vlak voor tijd scoorde. Ik kijk daar met gêne op terug. Ik zat toen ook dicht op de spelers, omdat wij in hetzelfde hotel verbleven.

Wij spelen met ons dagelijkse EK-journaal niet zo'n grote rol in de gekte. Het staat niet in verhouding tot wat de kranten doen. We zijn een chauvinistisch volk, maar in Frankrijk is dezelfde euforie losgebarsten. Als Nederland zich niet bij de laatste vier plaatst, is dat een blamage. Daarna is het een loterij.''