Montere Stadsromantiek; Nieuwe gedichten van Remco Campert

Remco Campert: Rechterschoenen. Uitg. De Bezige Bij, 48 blz. Prijs ƒ 24,50.

Er zullen in de Nederlandse poëzie nog niet veel gedichten gewijd zijn aan de huisman. In zijn nieuwe bundel laat Remco Campert er eentje aan het woord. Daar lijkt het in het begin tenminste op. ”Huisman' heet het gedicht en we zien hem 's ochtends op de stoep afscheid nemen van zijn vrouw. Zij zal wel naar haar werk gaan, want zij rijdt zonder om te kijken op haar fiets de straat uit. ”Liefst zie ik haar op de fiets' zegt hij, dus zijn handen zullen jeuken om eindelijk met de afwas te kunnen beginnen. Hij zwaait haar nog een keer na en gaat naar binnen. Maar dan blijkt onze huisman toch geen echte huisman te zijn, eerder een huismannerige dichter. Hij ruimt een regel op, gaat op een woord zitten, blaast het stof van het papier en tikt eens op tafel - verder lijkt het met dat dichten nog niet te willen vlotten. Met de van Nijhoff bekende impasse-truc wordt hier van de voorbereiding op het dichten een gedicht gemaakt. Zo besluit hij zijn weinig bevlogen ars poëtica:

lege man met volle poes

en vaas onrustig

stilleven hopeloos onpraktisch

is dat schrijven soms

Met deze hulpeloze verzuchting bevinden we ons weer op redelijk vertrouwd terrein. Want Campert is een dichter die zijn poëzie het liefst schrijft op het punt van ontstaan en bovendien een dichter die (misschien wel daarom) niet uit overvloed dicht, zeker de laatste twintig jaar niet. Tussen 1950 en 1970 schreef hij tien bundels, verzameld in Alle bundels gedichten. Daarna verschenen alleen nog Theater (1979) en Scènes in Hotel Morandi (1983). In het eerste gedicht uit die laatste bundel konden we ook al lezen dat het dichten niet gemakkelijk meer gaat: ”pluksgewijs' gaat het, zoals gras groeit, en lichaam en geest moeten ”in onwennige samenwerking' veel moeite doen om ”op papier een spriet van een woord' te laten opkomen.

En als er dan eenmaal iets op papier staat, wordt er net als in ”Huisman' door de dichter onwennig tegenaan gekeken. Campert schrijft graag poëzie waarin van een afstand naar poëzie gekeken wordt. Ook de dichtende huisman moet maar afwachten en maar zien wat de genade of de inspiratie, de werkelijkheid of de verbeelding op zijn strand laat aanspoelen. In het laatste gedicht van de bundel valt te lezen wat dat zoal is:

RECHTERSCHOENEN

Een schoen aan het strand van Santa Barbara (Cal.)

jaren later de vondst van een andere bij Bardolino

aan de oever van het Gardameer

en nog later van wel drie op een dag

op verschillende paden

nabij Pouca da Beira

tot veel wijze gedachten gaf dit anders dan ik hoopte

geen aanleiding

het waren rechterschoenen

Als dit een droogkomisch gedicht is, wat het geloof ik wel is, dan is het dat vooral omdat hier niets gebeurt, terwijl er zo veel had kunnen gebeuren. De aangespoelde schoenen worden niet tot symbool gemaakt, er wordt niet gekwezeld over eenzaamheid, verlies van de partner of over twee helften die nooit meer bij elkaar zullen komen en er wordt niet Barbarberiaans gespeculeerd over de vraag hoe het komt dat het allemaal rechterschoenen zijn. (Overigens vond Willem Jan Otten in zijn laatste bundel nog een ”niet te troosten linker-adidas' op het strand.) De verrassing zit in de slotregel en daarmee moeten we het aan het eind van de bundel dan maar doen.

Hooguit kunnen we in deze toevallig gevonden rechterschoenen verwanten zien van de negentien gedichten die de bundel Rechterschoenen vormen: in de loop der jaren aangespoeld en nu maar eens bij elkaar gelegd, en zo ruim gezet dat het wel een echte bundel lijkt. Tot veel wijze gedachten geven ze geen aanleiding, althans niet bij de vinder zelf. Campert is een slome dichter en toch schuilt in zijn sloomheid ook meteen zijn grootste kracht. Het levert een hoop meligheid op, maar ook prachtige laconieke regels. Rechterschoenen is een teleurstellende bundel, dun in beide betekenissen, maar dat geldt misschien wel voor al zijn bundels. De teleurstelling is er om zo te zeggen in meegebakken, al vanaf zijn eerste gedicht ”Credo' waarin het bescheiden beleden geloof in poëzie het moest afleggen tegen de harde werkelijkheid zoals die dagelijks in kranten te vinden is.

Er is genoeg in Rechterschoenen om schouderophalend aan voorbij te gaan. Er zijn een paar gelegenheidsgedichten en een paar herinneringen, enkele anekdotes en enkele verhaaltjes, drie ”snippers' waaraan wij ook niet meer kunnen zien waaruit ze afkomstig zijn en meer in het algemeen: veel spanningsloze regels en veel rustig gebabbel op de grens van poëzie en proza. Je krijgt niet de indruk dat hier een erg gretige dichter aan het woord is, maar eigenlijk was dat altijd al zo. Campert wist het zelf dertig jaar geleden al en maakte er onbekommerd een gedicht van: ”Mijn poëzie / zeggen jongens die het weten kunnen / is minder geciseleerd dan vroeger // Dat klopt dan mooi / want ook van mij / sleten de fijne kantjes langzamerhand af', zo viel in 1962 al te lezen in Dit gebeurde overal. En een paar jaar geleden, in een vraaggesprek: ”Ik ben geen oeuvre-bouwer, daar ben ik te wisselvallig voor. Het constante zit bij mij in de toon.'

En de toon, die is nog steeds goed. Er zijn weinig dichters bij wie een lichte melancholie, een laconieke treurigheid, een montere vorm van stadsromantiek zo mooi door het slome oppervlak heen weet te breken. ”O bittere triomf van het voorstellingsvermogen' verzucht hij, als hij in een portiek tegenover het huis van zijn grote liefde staat en zijn medeminnaar daarboven, bij haar, weet.

Campert blijft vaak weinig anders over dan simpel vast te leggen wat niet verloren mag gaan. Maar hij doet het met een air van achteloosheid, zonder pretenties en zonder al te veel geloof in de eeuwigheid. Want eeuwigheid, zo weet hij, is er ook alleen maar ”zolang eeuwigheid duurt'.