Ik heb de tijd tot een boog gevormd; Gedichten van Bei Dao

Bei Dao: Bewaarde geheimen. Keuze, vertaling en nawoord van Maghiel van Crevel. Uitg. Meulenhoff, 63 blz. Prijs ƒ 32,50

In de twintigste-eeuwse westerse poëzie wordt verreweg de meeste waarde gehecht aan het korte, lyrische gedicht. Niet het vertellen van geschiedenissen of waarheden, niet rijm of andere klankeigenschappen, maar de geloofwaardige persoonlijke expressie staat voorop. Bij gebrek aan formele eisen, en aan algemeen aanvaarde begrippen omtrent waarden die een dichter zou kunnen willen communiceren, wordt alle aandacht verschoven naar het enige dat overblijft: de intensiteit. Wie de pretentie heeft te dichten, moet in ieder geval de lezer kunnen boeien, en de gedichten worden beoordeeld alsof ze toneelimprovisaties waren: zolang de aandacht niet verslapt is 't goed. (Vandaar de voorkeur voor het korte gedicht of voor langere cycli waarvan de onderdelen zich zelfstandig laten lezen.)

Het was niet altijd zo. Vóór de Romantiek werden dichters om andere eigenschappen geprezen, onder andere om de "correcte' wijze waarop ze alom erkende conventies van vorm en beeldspraak toepasten. Een kort gedicht werd beschouwd als een aardig divertimento, meer niet. Zelfs als het gegeven niet "intensief' of "geïnspireerd' was, kon de esthetische vormgeving bevredigen.

Nu is het niet reëel om te verwachten dat de dichter voortdurend in geïnspireerde toestand verkeert, dus in de praktijk wordt de eis tot intensiteit in verwaterde vorm gesteld. Het Nederlandse publiek is zo langzamerhand een poëzie gewend waarvoor in principe de "moderne' eis tot intensiteit nog steeds geldt, maar waar in feite de oude burgerlijke "correctheid' weer ingesmokkeld is, en wel in de gedaante van rationele aannemelijkheid. De dichter die niet, zoals Gorter in zijn betere momenten, de jonge Marsman of de latere Faverey, werkelijk iets verbijsterends te brengen heeft, kan in ieder geval zo beschaafd zijn zijn toevlucht te nemen tot gedachtengangen en linguïstische procédés waar het verstand van de lezer niet bij steigert. Of je boeit, òf je praat in elk geval geen onzin.

Het probleem bij veel dichters uit de Chinese Volksrepubliek is dat ze naast hun betere verzen teveel gedichten publiceren die naar internationale maatstaven "intens' noch "correct' zijn. Maat en proportie - vooral de inperking, het besef van wat nadere uitwerking behoeft en wat niet - zijn verre te zoeken. De formuleringen en gedachten maken vaak de indruk òf in artistiek opzicht naïef te zijn (bijvoorbeeld door overmatig gebruik van woorden als "liefde', "leven', "dood'), òf juist topzwaar, als het ware vervormd door de veelal stuipachtige poging om vooral niet onder te doen voor de "obscuriteit' van al dan niet goed bestudeerde westerse voorbeelden. Aan de andere kant heeft de beeldspraak lezers die al eens eerder een bundel moderne poëzie onder ogen hebben gehad, weinig te bieden.

Wat te denken van de regels als deze van Bei Dao:

laagheid geeft de lagen vrije doorgang

hoogstaand is het grafschrift van wie hoog staat

kijk, in het verguldsel van de hemel

fladdert de weerspiegeling der doden

Vaak krijg je als lezer de verdenking dat Bei Dao zijn beelden niet zozeer gezien als bedacht heeft: het beeld is op zichzelf zo weinig sprekend of lijkt zozeer op een ingewikkeld aforisme, een moeizaam verwoorde puzzel of allegorie, dat de lezer wel moet overgaan tot een intellectuele poging tot ontcijferen. Dit geldt onder andere voor de talrijke verwijzingen naar "tijd', "klokken' en dergelijke:

...

de zwijgende klokkeluider

opent het doek van de tijd, dat

versnippert; doelloos gefladder vult de hemel

onophoudelijk botst dag op dag

...

Het bezwaarlijke van ontcijferen is dat wanneer het gedicht moet worden gelezen als een reeks code-tekens, een soort bedekte versie van gegevens die net zo goed of zelfs beter in gewoon proza hadden kunnen worden uitgewerkt, het predikaat "modern gedicht' niet meer van toepassing is. Goed, niemand zal beweren dat alleen "moderne' poëzie mooi kan zijn, maar als de gedichten doordenkertjes zijn, waar de lezer zich doorheen beredeneren moet, dan vraag je je af of ze niet net zo goed in achttiende-eeuwse vormen geschreven hadden kunnen worden.

De eerlijkheid gebiedt mij deze negatieve opmerkingen meteen te laten volgen door een paar voorbeelden van beter geslaagde verzen:

Slijp ik met mes

bij het flauwe licht van de morgen slijp ik het mes

ik merk dat zijn rug steeds smaller wordt

en zijn snede bot blijft als tevoren

de zon schittert

de mensenstroom op straat

is een bos in een immense etalage

daverende stilte

ik zie hoe de naald langs

de jaarringen in een boom

naar het midden glijdt

Of de beginregels van "Raam in de rotswand':

in riskante pose spoort de wesp de bloem aan zich te openen

de brief is verstuurd; op een dag, in een jaar

verlichten de vochtige lucifers mij niet langer

Het is jammer dat zulke volwaardige poëzie in dezelfde bundel moet staan met middelbare-schoolwerk in de trant van

allerhande talen

vliegen boven deze wereld

botsen op elkaar dat de vonken eraf spatten

soms is dat haat

soms is het liefde

...

...

dat taal bestaat helpt niets

om de stille pijn van een mens

te verergeren of te verlichten

Aan de samenstelling van de bundel had wat mij betreft meer aandacht mogen worden besteed. Het aantal opgenomen gedichten is vrij groot, èn het betreurenswaardige "stapelen' van meer dan één gedicht op een pagina versterkt alleen de indruk dat het niet om de intensiteit gaat, en dat veel van de gedichten haast naar willekeur langer of (liefst) korter hadden kunnen zijn. In de hier geboden selectie zijn wel degelijk sterke gedichten aanwezig, die de lezer niet gauw zal vergeten. Maar je moet ze tussen het kaf zoeken. Regels als "bomen buigen samen voor de winter/ hun groen is aan het leger verhuurd', die hoogstens een beetje "clever' zijn, vermoeien gauw en vormen geen waardig gezelschap voor een gedicht als "Eind van het jaar':

van het begin van een jaar tot aan het einde

ben ik jaren onderweg geweest

ik heb de tijd tot een boog gevormd

overal staan schoenen van gepensioneerden

het stof is privé-bezit

de vuilnis openbaar

dit was een onbetekenend jaar

de hamer bleef werkeloos, maar ik

leende licht uit later dagen

en zag in een flits een witgouden meetlat

die op het aambeeld lag

Over de vertaling door Maghiel van Crevel geen kwaad woord, want ik zou niet weten wie het huidige Nederland beter dan hij weet wat zinnen in het Modern Chinees betekenen. Hij is als vertaler niet verantwoordelijk voor de ongelijkmatigheid van de huidige Chinese poëzie, waarin telkens verrassende passages niet tot hun recht komen door de storende veelheid aan "incorrecte' regels. Zeg maar gerust door gebrek aan beheersing.

Ironisch genoeg is diezelfde beheersing sterk aanwezig juist in de klassieke Chinese poëzie waar Bei Dao en zijn generatiegenoten zich in verstechnisch opzicht tegen afzetten. Misschien komt er ooit nog een synthese: korte gedichten (zoals in de Chinese traditie gebruikelijk), met beelden die beelden zijn en geen verbale breinbrekertjes, maar dan geschreven vanuit de twintigste-eeuwse ervaringswereld die Bei Dao zo schrijnend probeert weer te geven. Een dergelijke poëzie - niet meer specifiek "Chinees', niet meer gewild "modern' - zou voor lezers over de hele wereld een feest zijn.