Het beste land ter wereld

Terwijl de Denen over het televisiescherm dartelen, bedenk ik wat een voortreffelijk volk dat toch is.

Sportief in de ware betekenis des woords, het weet zelfs een 0-0 gelijkspel in een morele voorsprong om te zetten. Al zal ik de triomfale 6-0 overwinning op het geniepige Uruguay (Mexico, 1986) niet gemakkelijk vergeten, een grote voetbalnatie is het nooit geweest. Wèl is het een natie van grote voetballers. Ik noem een Allan Simonssen en een Frank Arnesen. En wat dacht u van Michael Landrup en Preben Eljaer-Larsen? Om over onze eigen Sören Lerby (Fremad Amager, Ajax, Bayern München, AS Monaco, PSV) maar te zwijgen, de man die tussen het dribbelen en pingelen door onze eigen Willeke Alberti ("Niemand laat zijn eigen kind alleen') aan zijn trofeeënverzameling wist toe te voegen.

In het toernooi om de Europese beker vervangen de Denen de uitgesloten Joegoslaven. Zij zijn daarom van Servische zijde "vunzige patriotten' genoemd. Nou en? Zolang het schiereiland Jutland niet gewapenderhand tegen de Faeröer optrekt, hebben de Serven noch de Kroaten enig recht van spreken, dunkt mij. Trouwens, als er één volk met recht en reden patriottisch is, zijn het de Denen wel.

Ik ben er een paar jaar geleden een halve dag geweest, op doorreis, en beschouw mij sedertdien als een deskundige. Onmiddellijk nam ik de trein naar slot Elseneur, om te kijken of daar de Geest van Hamlets vader nog rondspookt, “totdat ied're wandaad van mijn aardsch bestaan verbrand, gelouterd is” (Hamlet, eerste bedrijf, vijfde tafereel). Bij terugkomst dronk ik een koel glas Carlsberg in Tivoll, het vriendelijkste pretpark ter wereld. In de Kalverstraat van Kopenhagen kocht ik vervolgens een dubbel-LP met Dansk Musik, een editie van Berlingske Tidende en een onsje Skandinavik mixture, om uiteindelijk, een uur voor vertrek, een gerookte heilbot te eten in een restaurant aan het Frederiksholmskanaal. U ziet, als ik het over de Kongeriget Danmark heb, weet ik waarover ik spreek.

Aangenaam volk, wonend en werkend in aangename steden en dorpen. Goed in de oorlog: de koning liep demonstratief met een davidster op zijn revers over straat. Zelfs de conservatieven zijn er progressief. Iedereen is er luthers, een rustige, vrij tolerante godsdienst. Het land heeft de laagste inflatie (tweeëneenhalf procent) van de Europese gemeenschap en boekt jaarlijks een forse exportstijging (acht procent in 1990, zeseneenhalf procent in 1991). Overheid en bedrijfsleven houden elkaar op veilige afstand, behalve de Danske Staalvalsewaerk kent Denemarken geen echt staatsbedrijf. Het liberale rechtswezen tolereerde al in een vroeg stadium de pornografie, wat een stevige injectie betekende van 's lands economie en toeristenindustrie. De Denen zijn aardig tegen hun vluchtelingen. "Vaak zijn het de armste mensen die aanbieden te helpen, gepensioneerden met kleine flatjes', lees ik in een vraaggesprek. Iedereen mag de Denen graag, behalve wellicht de Zweden en Noren. En Hans Christian Andersen, na Hamlet de beroemdste Deen ter wereld. Hij was zèlf een vluchteling (voor de slechte recensies van zijn boeken en toneelstukken) en noteerde daarom verbitterd in zijn dagboek: “Zij spuwen op mij! Zij trappen mij in de modder! O, het gif kolkt in mijn bloed. Was ik nog maar jong, dan kon ik wenen. Nu kan ik alleen maar trots zijn, haten, verafschuwen. Waarachtig, de Denen zijn kwaadaardig, koud, satanisch, het is een volk dat qua karakter volkomen bij die vochtige, schimmelgroene eilanden past.”

In werkelijkheid is Denemarken, permanent door de diverse zeewinden bestreken, niet zozeer vochtig als tochtig. “Geloof mij, het is zeer koud, de wind is noord” (Hamlet, vijfde bedrijf, tweede tafereel).

De Deense literatuur heeft traditioneel een hoge kwaliteit. Schrijvers en dichters als Knud Lyhne Rahbek, Steen Steensen Blicher en Henrik Pontoppidan zijn ver buiten de Deense Bocht en het Kattegat bekend. Ook op het gebied van de schilderkunst (Jens Juel!), beeldhouwkunst (Ejnar Utzon-Frank!), architectuur (C.F. Harsdorff!) en muziek (Knudaage Rilsager!) blazen de Denen op niveau een partijtje mee. En men vergete ook de wijsgeer Sören Kierkegaard niet, dè Sören Kierkegaard, het Deense antwoord op de door-en-door Duitse grijsgroene dialectische spinnewebben van Georg Friedrich Wilhelm Hegel.

Bovendien is het een levenslustig volkje, dat graag een glas bier of aquavit gebruikt. Liefst allebei tegelijk. “Dit breinbeneev'land drinken maakt alom bij and're volken ons gesmaad, veracht” (Hamlet, eerste bedrijf, vierde tafereel). De Deense prins wàs, met alle respect, enigszins een hypochonder.

Zij bewonen, zeggen de Denen zelf, "het beste land ter wereld'. Denemarken, zegt een hunner Kamerleden: “is een vreedzame, stabiele maatschappij, die zich prettig laat regeren”. Liefst door zichzelf. Of zoals iemand recentelijk verzuchtte: “Wij hebben iets moois opgebouwd in Denemarken. Waarom moeten wij onze democratie weggeven aan bureaucraten in Brussel?”

Dus zeiden de Denen nee.