Een grote dag; Chinese dichters van het vasteland, uit Taiwan en in ballingschap

“Voor westerse dichters zijn voorleesavonden geen grote gebeurtenissen. Maar voor Chinese dichters, die veertig jaar lang van de internationale gemeenschap afgesneden zijn geweest, zijn het absoluut vreugdevolle aangelegenheden.” Duoduo kijkt uit naar het optreden van Chinese dichters op Poetry International en vraagt zich af waarom de Chinese literatuur nog steeds niet op literaire kwaliteit wordt beoordeeld.

Geboorte, huwelijk, begrafenis: in China noemen ze dat allemaal grote dagen. Dagen die het waard zijn om te herdenken of te vieren. In 1992 heb ik ook een grote dag. Twintig jaren zijn verstreken sinds ik op 19 juni 1972 mijn eerste dichtregel schreef. Net zoals ik op mijn vijfde dag na dag de pagina's uit mijn vaders Engelse woordenboek scheurde, zo teken ik het leven op, bladzijde voor bladzijde, tot op de dag van vandaag.

Het binnenkort in Rotterdam te houden festival Poetry International is voor de Chinese dichters ook een grote dag. Voor het eerst wordt in Nederland een grootschalige voorleesavond van Chinese poëzie georganiseerd. Tijdens deze "Nacht van de Aap' wordt opgetreden door een stuk of tien Chinese dichters van het vasteland en uit Taiwan. Dit is echter slechts een deel van een reeks internationale activiteiten omtrent eigentijdse Chinese poëzie. Van 13 tot 23 mei werd door de American Poets' Study Society in New York en San Francisco voor het eerst een festival van de eigentijdse Chinese poëzie georganiseerd, waaraan door vijf dichters van het Chinese vasteland werd deelgenomen. Van 4 tot 7 juni organiseerden de England China Culture Association en de School of Oriental and African Studies van de Universiteit van Londen voor de eerste keer een symposium over Chinese poëzie. Tenslotte organiseert ook het Sinologisch Instituut van de Universiteit van Leiden van 9 tot en met 12 juni zijn eerste workshop over moderne Chinese poëzie. Verder komt de Engelse uitgeverij Penguin nog dit jaar met een "Keuze uit het werk van vier eigentijdse Chinese dichters'.

De ondergrondse dichter uit 1972 is in 1992 een dichter in ballingschap geworden. Als ik daaraan denk, komen talloze gevoelens bij me boven. Hoe vaak is het in al die jaren niet gebeurd dat ik thuis kwam en mijn moeder net in mijn la stond te rommelen. Als ze me dan zag, beefde ze over haar hele lichaam, alsof ze iets ergs gedaan had, en zei: “Ik heb niet aan je liefdesbrieven gezeten! Ik heb alleen maar die gekke gedichten van je gelezen, maar ik snap er niks van.” Mijn moeder had altijd gehoopt dat ik arbeider zou worden. Plastic emmers maken of zo. En dat ik een gezin zou stichten en carrière zou maken. Maar toen ik in 1986 de poëzieprijs van de Universiteit van Peking kreeg, zette ze die netjes neer op het meest opvallende plekje in de boekenkast. Hoewel ik tegenwoordig geen land, geen kinderen en zelfs geen oude moeder meer heb, vind ik toch dat ik het aardig ver heb geschopt in het leven. Lang niet iedereen krijgt de kans om in ballingschap te gaan.

Zoenen

Voor westerse dichters zijn boekpublikaties en voorleesavonden geen grote gebeurtenissen. Maar voor de Chinese dichters, die veertig jaar lang van de internationale gemeenschap afgesneden zijn geweest, zijn het absoluut vreugdevolle aangelegenheden. Vijf jaar geleden was er een Chinese dichter uit de provincie Sichuan die bij zijn eerste bezoek aan New York midden op straat uitschreeuwde: “Waarom zoenen die vrouwen me niet? In de films zijn al die Amerikaanse vrouwen toch dol op zoenen?” Toen in juli 1989 in Londen mijn eerste poëziebundel uitkwam, maakte ik ook zo'n kortstondig moment van extase door. Een maand later kwam ik mijn nieuwe bundel echter tegen in een tweedehands boekwinkel. Toen ik onlangs het "goede nieuws' vernam dat er van de zeshonderd exemplaren van mijn Nederlandse bundel bijna vijfhonderd verkocht waren, kon ik slechts onverschillig lachen: een bundel uitgeven betekent alleen maar dat je goed genoeg bent om mee te doen.

Vorig jaar oktober, tijdens de in Denemarken gehouden workshop "Modernisme en post-modernisme in de Chinese literatuur' stelde professor Bonnie S. McDougall van de Universiteit van Edinburgh de volgende vraag: "Waarom is de Chinese literatuur, op een heel klein aantal goede werken na, zo bedroevend middelmatig?' Een van de redenen die zij aanvoerde was dat een groot deel van de moderne Chinese literatuur zuiver plagiaat is. Het resultaat hiervan is dat er geen gelijke tred wordt gehouden met de constant veranderende smaak van buitenlandse lezers, waardoor internationale populariteit onbereikbaar blijft. De schrijvers die in de jaren tachtig achter het modernisme en post-modernisme aanliepen hebben hetzelfde lot ondergaan.

Ik was zeer gecharmeerd van haar woorden - voor het eerst was daar een westerse expert die verder ging dan het politieke, journalistieke of regionale karakter van Chinese literatuur en aandacht besteedde aan het literaire karakter. Een stuk beter dan die mensen die eigentijdse Chinese literatuur beschouwen als "industrieel handboek' of als "toeristische gids'. In haar conclusie kon ik me ook vinden. De moderne Chinese literatuur is aan het begin van deze eeuw ontstaan na de ineenstorting van een eeuwenoud maatschappelijk systeem. Wat betreft de maatschappij, het denken en de taal zijn alle erfenissen van het verleden tot op heden nog steeds niet geordend. Niet alleen de literatuur, maar ook de moderne maatschappij (inclusief de communistische cultuur) heeft op alle fronten invloed van het westen ondergaan. We kunnen beter eerlijk zijn en onderkennen dat het algehele lage niveau van de Chinese literatuur in ieder geval een gunstige voorwaarde is voor vooruitgang. Toen ik onlangs in Duitsland was ontdekte ik dat daar negentig Chinese ex-wereldkampioenen tafeltennis als trainer werkzaam zijn. Het niveau van het Duitse tafeltennis is daardoor spectaculair gestegen. De Chinezen hebben het tafeltennis trouwens veertig jaar geleden uit het westen overgenomen. Na tien jaar waren ze de hele wereld de baas. Nog geen dertig jaar later vielen ze alweer terug (al zijn de vrouwen nog nummer één). Het is zoals het Chinese spreekwoord zegt: dat was toen, dit is nu.

Aan de andere kant is literatuur geen competitie. Vertaling speelt een belangrijke rol. Een prachtig gedicht kan soms niet mooi vertaald worden. Een middelmatig gedicht kan gemakkelijk door een mooie vertaling-bewerking in het westen populair worden. Geen wonder dat een andere beroemde sinoloog, van de Harvard Universiteit, een beschuldigende vinger heeft uitgestoken: Chinese moderne poëzie is niet meer dan in het Chinees vertaalde gedichten die weer opnieuw in westerse talen zijn vertaald, net alsof je een importprodukt weer exporteert. Het zijn helemaal geen Chinese gedichten!

Het maakt niet uit dat deze westerse wetenschapper de eigentijdse Chinese dichters voor een stel dieven uitmaakt. Er geldt hier maar één principe: hoe fel of extreem de kritiek ook mag zijn, zolang het maar wetenschappelijk verantwoord is, is het veel beter dan al die politiek getinte lofzangen. In New York bestaat een naar verluidt zeer serieuze poëzie-uitgeverij genaamd "New Directions'. Toen vorig jaar een enthousiaste vertaler daar met mijn gedichten kwam aanzetten, was er één redacteur die ze wel zag zitten. Een ander had er geen mening over, maar zei wel: “We hebben al een bundel van een Chinees uitgegeven. Eén vertegenwoordiger is voldoende, laten we dit maar niet uitgeven.”

Eilandje

Tot slot wil ik mijn lezers voorstellen aan de Chinese dichter Gu Cheng, die ook meedoet in Rotterdam. Vier jaar geleden arriveerde hij met zijn vrouw in Nieuw-Zeeland. Na de geboorte van hun dochtertje vestigden ze zich op een eilandje. Vier jaar lang leefden ze met z'n drieën een leven zonder elektriciteit, zonder televisie, zonder koelkast, zonder kranten (ze lazen voortdurend dezelfde oude krant die tweeënhalf jaar eerder door een toerist was weggegooid) en zonder boeken (de lijvige klassieke roman Droom van de Rode Kamer, het enige wat ze uit China opgestuurd hadden gekregen, hebben ze een keer of tien gelezen). Ze werkten van zonsopgang tot zonsondergang. Ze ontgonnen een stuk bergland en bouwden een huis aan de voet van de berg. Ze hielden tweehonderd kippen voor de eierverkoop en als ze zin hadden in iets lekkers gingen ze naar de zee om oesters te vissen (het enige wat je daar vrij mag vangen). Tijdens het toeristenseizoen verdiende zijn vrouw wat geld met het verkopen van eigengemaakte loempia's, terwijl Gu Cheng tegen betaling portretten tekende. Hoe ze de op het zuidelijk halfrond precies in de andere helft van het jaar vallende winter doorkwamen, laat ik maar aan de fantasie van de lezer over.

Bijna alle in ballingschap levende Chinese dichters en schrijvers raken niet uitgepraat over hun kommer en kwel. Alleen Gu Cheng zegt: “De afgelopen vier jaar waren de mooiste tijd van mijn leven. Mijn droom is in vervulling gegaan: een beeldschoon eiland, een stuk land, een huisje en een onbekommerd leven.”

Op het moment woont Gu Cheng als gastschrijver samen met zijn vrouw in Berlijn. Over een half jaar willen ze weer terug naar Nieuw-Zeeland, waar ze inmiddels de immigratiestatus bezitten, om hun boerenleven voort te zetten. Gu Cheng schreef ooit: een vlucht vogels in de lucht is als de uitgestoken hand van God.