Een bonbon van gips; Een schrijver op reis met twee toneelstukken

Honderd jaar geleden zei Herman Heijermans: “In Holland is 't schrijven van 'n oorspronkelijk stuk een misdaad.” Veel lijkt er sindsdien niet veranderd. Kester Freriks schreef De Wespendief, ging mee op tournee en ontdekte dat ondanks het grote aanbod aan premières het theater voor veel Nederlanders nog steeds een raadsel is. Een beschouwing over acteurs en regisseurs, de invloed van het publiek op de voorstelling en over de schok een eigen toneelstuk opgevoerd te zien worden.

Ergens halverwege de afgelopen meimaand bleef een mevrouw in Deventer na afloop van een toneelvoorstelling ontdaan in de zaal zitten. Uiteindelijk bracht iemand van het toneelgezelschap haar naar de foyer. Daar was de schrijver aanwezig, Thomas Verbogt.

In zijn stuk De tentoonstelling maakt een acteur bloemen kapot. Eerst smijt hij gele tulpen tegen de vloer, daarna vertrapt hij een bos rode rozen. Hij doet dat gewelddadig en genotzuchtig. Waarom gingen die rozen eraan? Omdat ze dicht bleven, ze bloeiden niet open. Wel op de grond, onder harde schoenzolen. De acteur, de bloemblaadjes vermorzelend, had als tekst: “Kijk, nu gaan ze open. Als we ons best maar doen. Het is gewoon een kwestie van ons best doen.”

De mevrouw uit Deventer opende haar handen, waarin ze de losse rozeblaadjes tot een roos had herschikt. De scène had haar pijn gedaan en ze eiste van de schrijver, meer dan van de acteur, verantwoording. De schrijver zei: “Het was mijn bedoeling dat de gebeurtenis op het toneel u pijn zou doen. Dat is voor mij theater. Een bespiegelende en ordinaire kunst, verheven en ook brutaal.”

Onder de hoede van Theater van het Oosten reisden de afgelopen maand twee voorstellingen kriskras door Nederland, van Groningen tot Dordrecht en Spijkenisse, van Amsterdam tot Nijmegen. Beide stukken, gespeeld door vergelijkbare personages, waren geschreven naar het motief van de "indringer': in een gezelschap van vier mensen dringt een vijfde binnen en ontketent van alles. Het waren De tentoonstelling van Thomas Verbogt in de regie van Agaath Witteman en De Wespendief door ondergetekende, geregisseerd door Matin van Veldhuizen. De eerste een dynamisch geregisseerde zwarte komedie, de tweede een nagenoeg roerloos op de Bühne gebrachte elegie. Dat, behalve de indringer, vier karakters min of meer van tevoren vastlagen en in de tekst dezelfde namen hadden is minder een bezwaar dan het klinkt. Ze varieerden zo van leeftijd en temperament, dat elke schijver ruimte voor fantasie had of die anders eenvoudig opeiste. Bij de toeschouwer echter bleek dit idee van toneel als een feuilleton de meeste verwarring te stichten.

Voor de pauze ging De Wespendief. Werd die door de acteurs geconcentreerd gespeeld, met de ernst het stuk eigen, dan was het voor het publiek moeilijk de komedianteske openingsscène van De tentoonstelling te grijpen. Het omgekeerde kwam ook voor. De lach in de tweede helft van de avond werkte bevrijdend wanneer de ernst voor de pauze te klemmend werd.

Maatgevend

Welke voorstelling ziet een toeschouwer? Is de première maatgevend of de generale repetitie, de derde voorstelling misschien? Het kan ook dat in een van de laatste voorstellingen de acteurs pas echt vleugels krijgen.

Een hilarische De tentoonstelling in Arnhem, waar het gelach niet van de lucht was, kon in Haarlem plotseling stilvallen. De eerste voorstelling van beide stukken in Amsterdam moest door de acteurs tegen een zwijgende bakstenen muur gespeeld worden. Dat was dus het zogeheten kritische, defensieve Amsterdamse premièrepubliek. De tweede voorstelling daar werd een kleine triomf; in De Wespendief kwam plots de humor naar boven die nooit eerder zichtbaar was geweest. Bij De tentoonstelling ging de zaal onderuit, tot en met het tweede balkon.

Misschien is er dit seizoen wegens het overweldigende aanbod meer over Nederlands toneel geschreven en gepraat dan ooit. Tal van prozaschrijvers en toneelauteurs zagen, niet alleen bij Theater van het Oosten maar ook elders, hun stuk in première gaan. In Arnhem was er nog de Nacht van het Hoogste Woord, een marathon van vijftig minitoneelstukken, voor die gelegenheid wild, frivool en onstuimig geënsceneerd.

Ooit, honderd jaar geleden, kwam de woedende uitspraak van Herman Heijermans: “In Holland is 't schrijven van 'n oorspronkelijk stuk een misdaad.” Als dat zo is, dan lopen er op dit ogenblik een kleine honderd toneelmisdadigers rond in Nederland.

Als toneel een misdadig genre is, dan is daaruit misschien de reeks van rampen te verklaren die het maken van een voorstelling weleens begeleidt. Acteurs trekken zich terug of worden ziek, de tekst deugt niet en moet opnieuw, het botert niet tussen regisseur en speler, tussen schrijver en regisseur, ach tussen wie en wie binnen zo'n fragiele structuur als een gezelschap spoort het weleens niet?

En dan, vaak daags na de première, trekken de spelers het land in. Dat heeft iets eenzaams: de voorstelling wordt in de meeste gevallen aan hen overgelaten. Dan kan het gebeuren dat de kostuums zoek zijn of dat er een handjevol toeschouwers in de zaal zit. Toch doorspelen. De aandacht winnen. Na afloop misschien in een treurig voetbalcafé in Eindhoven een glas drinken en diep in de nacht naar huis, door slapend Nederland.

Ik ken geen kunstvorm die zo gevoelig is voor invloeden van buitenaf als toneel. Een acteur moet een meester zijn in het verdoezelen van tegenslag, of beter: uit die tegenslag moet hij creatieve energie putten. Hij mag zich niet uit het veld laten slaan. Wat zich achter de schermen of tussen de coulissen ook afspeelt, de toeschouwers in de zaal weten - gelukkig - van dit alles niets af en kijken. Soms lachen ze, en krijgen de acteurs vleugels. Er kan in de zaal ook een diep stilzwijgen hangen, waardoor de acteurs zich in de steek gelaten voelen en meteen zwaarder gaan spelen, alsof ze zakken aarde moeten versjouwen. Zo beïnvloedt de toeschouwer, vaak onwetend, de sfeer en de ritmiek van een voorstelling.

Eigenlijk is de toeschouwer een mede-acteur. Het is de afspraak dat hij of zij geen tekst heeft en zich niet met de voortgang op de planken bemoeit, maar het gebeurt toch. Elke betrokkene, zowel schrijver, regisseur als acteur, ervaart fysiek of de zaal zich verzet tegen een voorstelling of erin meegaat. In het eerste geval zorgt zoiets tot aanvallen van wanhoop. De euforie die de tweede situatie mij enkele keren gaf, behoort tot een van de mooiste ervaringen in het theater die ik ken.

Hoe komt iets tot stand? Dat is, na afloop, de meest gehoorde vraag uit het publiek. Regisseur Agaath Witteman, schrijver Thomas Verbogt en ik gingen tweeëntwintig keer mee op tournee, naar de kleine zalen in het land. We hielden daar vaak in gezelschap van een paar acteurs een nabespreking met de toeschouwers; tegelijkertijd was het een mooie kans om te zien hoe een voorstelling zich op reis ontwikkelt. Het was vreemd te merken dat, ofschoon in Nederland honderden premières per seizoen plaatsvinden, voor velen theater een raadsel is. Natuurlijk, de toeschouwer weet van Tsjechov, Ibsen of Shakespeare, een Beckett is niet onbekend. Maar hoe komen Nederlandse schrijvers ertoe zich aan een stuk te wagen? Is dat niet het hoofd op het hakblok leggen? Ook Marcellus Emants beschouwt toneel als het misdaadgenre bij uitstek. Hij schrijft: “Jij hebt een van de grootste misdaden bedreven, die een mens in Nederland bedrijven kan, jij hebt een toneelstuk geschreven.”

Voor het schrijven van een toneelstuk is in een land als het onze blijkbaar moed nodig. Waarom eigenlijk? Er is toch niets tegen drama; naast de roman en het gedicht een volwaardig literair genre.

Bij die nabesprekingen zaten we meestal in de lege foyer van de schouwburg, waar na de eerste ronde niets werd geschonken. In Eindhoven bij voorbeeld hing de sfeer van een café na sluitingstijd, met de stoelen op de tafels. Aan een aantal belangstellenden vertelden we hoe we tot de zonde van het theater kwamen. Onvermijdelijk moesten we uitleggen dat de beide voorstellingen weliswaar in opdracht waren geschreven en dat het indringer-motief de leidraad was, voor het overige voelden we ons van geen tweeën belemmerd in het schrijven. Bovendien wordt elk toneelstuk voor een repertoiregezelschap in opdracht en in samenwerking met de artistieke leiding geschreven. Het gebeurt zelden of nooit dat een gezelschap een stuk uit de stapel ongevraagde inzendingen licht en er een voorstelling van maakt.

Moet de regisseur wel of niet dienstbaar zijn aan de tekst en proberen de bedoelingen van de schrijver over te brengen? De ene regisseur wenst nadrukkelijk geen inmenging van de schrijver, de ander stelt het daarentegen op prijs. Karst Woudstra, wiens Een zwarte Pool dit seizoen veel lof ontving, schrijft als inleiding op zijn stuk over de zaak auteur-regisseur het volgende: “Het is wel prettig om te weten wie zo'n stuk gaat regisseren omdat je dan weet dat je de regisseur kunt vertrouwen, daar die er niet mee aan de haal gaat om zichzelf coûte que coûte, over het lijk van het stuk heen, mee te profileren, want daar zal ik nooit iets van begrijpen. Ik blijf het ook erg vinden als regisseurs zich gaan gedragen als kunstenaars, want dat zijn ze niet.” Matin van Veldhuizen, die dit seizoen niet alleen De Wespendief regisseerde, ook nieuwe stukken van Willem van Toorn en Marijke Höweler, zegt hierover: “Ik heb zelf geen contact met de schrijvers gehad. Dat verliep steeds via de dramaturg. Omdat ik hun visie niet wilde kennen. Omdat ik "onbevlekt' die stukken wilde lezen en er mijn interpretatie van geven.”

Agaath Witteman die te elfder ure de regie van De tentoonstelling overnam van Matin van Veldhuizen heeft in nauwe samenwerking met de auteur het stuk in korte tijd op de planken gezet. Dat is, uiteindelijk, de ideale methode. Er zijn tijdens het repetitieproces scènes gesneuveld, er zijn nieuwe aan toegevoegd, enkele thema's zijn aangescherpt. Nog tot een half uur voor de première werd koortsachtig gerepeteerd onder het oog van de schrijver. Van Verbogt leerde ik het eerste motto van de voorbije meimaand: “Als er geen tekst bestond, kon iedereen, van regisseur via acteur tot recensent, wel encyclopedieën gaan verkopen aan de deur.”

Bedoelingen

Is het een schok een stuk van jezelf op de planken te zien? Groter schok is nauwelijks denkbaar. Is de regie overeenkomstig de bedoelingen? We zijn in Scheveningen, onder het grillige bladerdak dat woekert in de foyer van Theater aan de Haven. Een toeschouwer heeft de tekst meegelezen en hem is opgevallen dat er in De Wespendief volgens een aanwijzing deuren moeten klapperen, en dat horen we niet. Alleen een actrice hoort het in haar hoofd. Ook lekt aan het begin de dakgoot. Dit beeld keert niet terug in de voorstelling. Die is geregisseerd op taal: alles gebeurt in de taal, in de woorden van de spelers, in iemands hoofd. Hierdoor ontstaat een abstractie die de voorstelling aanvankelijk ingewikkeld maakt. Het blijkt dat pas halverwege de meeste toeschouwers in het verhaal komen. Niet voor iedereen is dat een bezwaar; sommigen laten zich meenemen door de speelstijl en de taal om pas na afloop voor zichzelf de verschillende draden te ontrafelen. Wel ontstaat bij het publiek enig onbehagen wanneer het tijdens de voorstelling meer vragen krijgt dan het kan beantwoorden. Zelf had ik, achteraf, het liefst die hevig lekkende dakgoot teruggezien op de speelvloer. Vooral omdat de tekst in de openingsscène daar direct verband mee houdt. Ik stelde me schrijvend dat verrukkelijke zingen van de regen voor. De tikkende waterdruppels op de vloer. Natgeworden spullen. Waar de regie koos voor stilering, liet ik me leiden door een herkenbaar, simpel en anekdotisch beeld. Als zinnelijke, zelfs ordinaire verleidingsmanoeuvre om de toeschouwer te veroveren.

De beste oplossing in het altijd gevoelige punt tussen auteur en regisseur werd aangedragen door Agaath Witteman. Van haar komt het tweede motto van de maand: “Eerst een opdracht verlenen aan een schrijver, vervolgens zijn stuk tien dagen lang met een kleine groep repeteren. De auteur is daarbij aanwezig, ziet en hoort van alles. Tot slot gaat hij terug naar huis en schrijft de definitieve versie.”

Het toeval speelt bij toneel een grote rol. Dat is de charme ervan. Regisseur noch schrijver, zelfs de acteurs kunnen niet honderd procent greep houden op wat er in de tijd tussen het aanflitsen en doven van de toneellampen gebeurt. Alles is van het moment afhankelijk. Van het samenspel tussen de sprekende rol van de acteur en de ogenschijnlijk zwijgende van de toeschouwer.

Boeken worden herlezen om ervan te genieten en om ze beter te begrijpen. Bij toneel is deze houding een zeldzaamheid. Pas na een paar keer kijken naar De tentoonstelling kreeg ik opeens inzicht in de tragiek van het stuk, hoe wrang het was: de angst van het hoofdpersonage om door iedereen verlaten te worden. Daarvoor zag ik vooral andere gebeurtenissen, zoals de rozenscène, en probeerde de voorstelling daaruit te verklaren. Rozen die niet bloeien als metafoor voor de mensen in het stuk. Daaraan denk je dan, vervolgens ga je je mening herzien.

Volmaakt

De volmaakte voorstelling bestaat niet. Er zijn hoogtepunten, er zijn minder sterke momenten. Ook zijn er acteurs die alles naar zich toetrekken en elke keer iets bedenken om de tegenspelers alert te houden. Zoals de acteur in De tentoonstelling die aan het slot op een avond in plaats van in een echte bonbon, zijn tanden in een gipsen exemplaar zet. Zijn verwonderde, gekwelde reactie bepaalt het slotbeeld en daarmee de herinnering van de toeschouwer aan de toneelavond.

Na de première begint de voorstelling pas tot leven te komen. Zo ergens halverwege, in Leiden of Deventer, kan ineens de mooiste uit de reeks staan. Die beste voorstelling heeft de synthese van drama en humor, van het speelse en het tragische, van bespiegeling en dynamische handeling. Zij moet duidelijk maken dat elke keuze die gemaakt is door acteur, schrijver en regisseur de enig juiste is. Dat is geen kwestie van anarchie of eigenzinnigheid, wel van die ene noodzakelijke vorm. Zoals iemand zei na afloop van De tentoonstelling: “Ik kan me bij deze tekst geen andere spelers of regie voorstellen. Het was theater.”

En dan zijn er nog die onverwachte momenten die zich aan elke beheersing onttrekken en die de spanning verhogen. Tanden in het gips en niet in een bonbon: “Au!” Om de pijn te verzachten geeft na afloop een mevrouw aan de acteur een handvol zachte rozeblaadjes.

Nog altijd.