Droom

Af en toe droom ik van mijn vader, die nu een jaar dood is. Meestal zit hij in een hoge, rieten strandstoel. Hij heeft de ogen een tikje toegeknepen, want de zon staat laag. Het loopt tegen de avond. Hij heeft zijn broek opgestroopt tot aan zijn knieën en hij zit met zijn blote voeten in het zand. In verhouding met de rest van zijn lichaam is zijn hoofd ontzettend groot. Lachwekkend groot zelfs, als je er goed over nadenkt.

Ik vertel hem wat mijn plannen zijn. Dat ik een toneelstuk ga schrijven en een roman.

“Jaja”, zegt hij.

Ik gooi er nog een schepje bovenop en vertel hem dat ik de Nobelprijs voor de Vrede heb gekregen.

“Jaja.”

Ik vertel hem dat ik de liefde van mijn leven heb gevonden.

“Jaja”, zegt hij.

Typisch mijn vader! Een dubbele bevestiging is bij hem toch weer een ontkenning. Twee keer ja is nee. Hij gelooft ook nooit wat ik zeg. Wat denkt hij wel? Dat ik lijd aan pseudologia fantastica?

Dan is het zijn beurt om een verhaal te vertellen. Het is een verhaal uit de tijd dat hij als journalist bij een krant werkte. Op zijn bureau ligt een stapel berichten, die bijna tot aan het plafond reikt. Hij neemt er één bericht uit en leest: "Hond bijt man'. Geen nieuws. Hij besluit de hele stapel verder ongelezen uit het raam te gooien en even later fladderen de papieren weg over de daken van de stad.

Tevreden gaat hij weer zitten en legt zijn benen op het bureau om wat gemakkelijker een tukje te kunnen doen. Langzaam doezelt hij in, maar juist als hij wegzakt in een aangename droom, wordt hij gewekt door de priemende vinger van de hoofdredacteur die op zijn schouder tikt. De paus is getrouwd met een schoonheidskoningin! Het staat bij de concurrentie op alle voorpagina's. Paniek breekt uit op de burelen. Hoe is het mogelijk? Als enige krant hebben wij het nieuws van de eeuw gemist! De volgende dag blijkt het bericht een canard te zijn. Rome spreekt alles tegen en de paus verschijnt op het Sint Pietersplein, onaangeraakt en maagdelijk, zoals hij altijd is geweest. Schoorvoetend moet de concurrentie rectificeren.

“En wat betekent dat?” vraag ik.

“Dat talent een kwestie van geluk is”, zegt hij.

“Jaja.”

Dan verdwijnt mijn vader uit mijn droom, maar even later zie ik hem weer. Hij staat bij een kiosk, gebogen over een stapel versgedrukte kranten. “Dat bericht kan niet kloppen”, roept hij, wijzend op de voorpagina van het bovenste exemplaar. Nerveus laat hij de stapel kranten door zijn handen gaan alsof het speelkaarten zijn. “Hoe is het mogelijk?” zegt hij verwilderd tegen zichzelf, “elk exemplaar brengt precies hetzelfde bericht in precies dezelfde bewoordingen. Zou het dan toch waar zijn?”

We gaan op een bankje zitten. “Nu moet je goed luisteren”, zegt hij, “toen jij geboren werd, had je heel lang, zwart haar, wat vreemd is voor een baby. Ze dachten eerst dat je een meisje was, maar als je dood gaat, zul je volkomen kaal zijn, net als ik. Maak je daar geen zorgen over. Koop een hoed. Het is heel verstandig om altijd een hoed bij de hand te hebben. Waar het nu om gaat, is het volgende. Sommige dingen nemen af, maar sommige dingen nemen ook toe. Berust in datgene wat afneemt, omhels datgene wat toeneemt. Wat afneemt is alleen belangrijk voor wie niets te zeggen heeft. Wat toeneemt is alleen belangrijk voor wie tijd te kort komt om alles op te slaan en door te geven. Begrijp je dat?”

“Nee, lijkt mij wartaal.”

“Denk erover na. Heus, als je begrijpt wat ik bedoel, heb je het eeuwige leven.”

“Jaja”, zeg ik.

En toen werd ik wakker.