De waterglijbaan

Straks rechtsaf, daar liggen de huisjes tegen de heuvel. Ik weet het wel, want ik ben er al een keer geweest.

Uit de kamer zie je de toren van Vijlen en het kerkje van Holset. Voor het huis is een wei met paarden. En bovenaan de berg liggen het restaurant, de winkel en het zwembad. Het is wel zwaar werken om met mijn rolstoel naar boven te komen. Maar als ik er eenmaal ben kan ik met een rotvaart naar beneden. Op twee wielen klepperend door de bochten. Zzzzoefff over de verkeersdrempels. Zo hard ben ik nog nooit gegaan. Zelfs niet aan de Wassenaarse Slag. Maar het allermooiste van alles is toch de waterglijbaan.

Ik lig in het zwembad. Boven mij kronkelt een enorme groene slang. Kinderen komen naar beneden. Ze schreeuwen en joelen. Ze plonzen vlak voor mijn neus in het water. Door de luidsprekers klinkt een strenge stem. Eerst in het Nederlands, dan in het Duits. Het is hier namelijk vlakbij de grens, bij Aken. Niet stilstaan op de glijbaan. Dat is gevaarlijk. Houd de glijbaan vrij. Niet op de randen gaan zitten.

Ik kijk naar boven. Hoe kun je in vredesnaam stoppen op zo'n glijbaan?

Kon ik er maar op. De stenen trap naar boven is veel te lang. En vast ook te hoog om helemaal te kruipen. Ik trek nog een paar banen. Maar eigenlijk vind ik het niet meer zo leuk. Want elke keer moet ik naar de glijbaan kijken. Dan maar wat spelen in het water.

Mijn moeder houdt de krokodil aan haar mond. Die wordt steeds groter. Ook leuk. Maar die glijbaan is veel leuker. Ik zwem nog een rondje met mijn kleine neefje. Steeds onder de glijbaan door. En ik kijk nog een keer. Ja, nu weet ik het zeker: ik ga het proberen!

Ik ben al een heel eind omhooggekropen. Om mij heen lopen allemaal voeten. Ze stappen over mij heen. Er vallen steeds koude druppels op mijn rug. Nu kan ik geen kant meer op. Straks word ik nog vertrapt. Een grote jongen roept: niet voordringen. Hij laat mij door. Maar nu moet iedereen weer veel te lang wachten. Ik sta maar even stil en kijk naar boven. Ik ben er nog llllllang niet.

Dan kijk ik naar beneden. Ik draai mijn hoofd vlug weer om. De grinttegels doen wel pijn aan mijn knieën. Maar er is één troost: straks glij ik naar beneden. En dan duik ik ook als de Niagarawaterval in het zwembad.

Ik ben er bijna. Maar dan schrik ik. De trap is er niet meer. Het laatste stuk is een soort ladder. En dat gaat een beetje moeilijk op je knieën. Bovenaan het laddertje zit een blauw-witte meneer. Die hoort bij het zwembad. Hij kijkt over zijn zonnebril en vraagt: kun jij wel zwemmen? Nou zeg... ik ga toch niet dat hele eind klimmen als ik niet kan zwemmen? Ik kan niet lopen maar wel nadenken. Ik heb drie diploma's!

Maar de meneer is toch wel aardig. Hij komt de steile ladder af en houdt iedereen tegen. Hij geeft me een kontje en dan...

Ja dan. Het laddertje is opgehouden. Voor mij ligt alleen nog maar een groene bak. Daarin spuit en schuimt het water. En daarachter is het heel diep. Het lijkt wel of de glijbaan door de lucht zweeft. Het golft een beetje in mijn buik. Ik laat iedereen voor.

Doet-ie het of doet-ie het niet?

Ga nu maar, zegt de blauw-witte meneer. Ja straks. Ik schuif een stukje op naar de zijkant. Het is er glibberig. Ik kan niet eens zelf gaan zitten. Ik voel tranen. Zal ik vragen of hij mij het laddertje weer af wil helpen? Maar dan moet ik weer dat hele eind terug over die scherpe treden.

Iemand pakt me beet. Nee, roep ik, nee! Maar het is al te laat. Ik glij op mijn rug. Ik krijg een heel raar gevoel in mijn hoofd. Allemaal geluiden. Het hele zwembad gilt.

En dan drijf ik om mijn moeders nek. Ik kijk omhoog. Daar zwaait de badmeester. Ik steek mijn hand op. Ik kom er weer aan hoor! Nooit meer zwemmen. Alleen nog maar glijen.

Mijn neefje Robert dobbert op de krokodil. Kijk, wijs ik. Dat is een waterglijbaan. Daar mag jij met mij af als je groot bent.