De utopie in Nizjni Tagil; Overzicht van de Russische avant-garde in Amsterdam

De Russische avant-garde-kunstenaars kregen na de Revolutie de opdracht het kunstbeleid van de nieuwe Sovjetstaat te bepalen. Ze dachten definitief, maar al na vier jaar gingen de bolsjevisten gretig in op het aanbod van de traditionele kunstenaars om die rol op zich te nemen. Elf jaar later werd het socialistisch realisme voor alle kunsten verplicht gesteld. De monstertentoonstelling "De grote Utopie' laat zien hoe avantgardisten als Malevitsj en Tatlin de vormgevers van de nieuwe maatschappij hadden willen worden.

De grote utopie. De Russische avant-garde 1915-1932. Tot 23 augustus in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Prijs catalogus (771 blz.) ƒ 75,-.

“Kubisme en futurisme waren de revolutionaire vormen in de kunst die voorafgingen aan de revolutie in het economische en politieke leven”, schreef de Russische schilder en uitvinder van het suprematisme Kazimir Malevitsj in 1920. En dus was het vanzelfsprekend, vond hij, dat de avant-garde-kunst door de bolsjevieken tot staatskunst werd verheven. Vier jaar lang leek Malevitsj gelijk te krijgen en hadden de Russische avantgardisten het voor het zeggen in het kunstleven van de nieuwe, revolutionaire staat. Vlak na de Oktoberrevolutie werden zij benoemd tot topambtenaren van de Afdeling Beeldende Kunst van het Volkscommissariaat van Educatie (IZO Narkompros). Vladimir Tatlin, de voorloper van het constructivisme, werd voorzitter van het Moskouse Kunstcollege, Alexander Rodtsjenko werd hoofd van het Museumbureau, Marc Chagall werd volkscommissaris voor kunst in de regio Vitebsk en zelfs de apolitieke Wassily Kandinsky kreeg een functie bij IZO Narkompros.

Maar in 1921 bleek dat Malevitsj zich had vergist. De bolsjevieken hadden niet uit overtuiging maar bij gebrek aan beter gekozen voor samenwerking met de avant-garde. In de eerste jaren na 1917 waren de constructivisten en suprematisten de enige kunstenaars die zich wilden inzetten voor het nieuwe bewind. De meer traditioneel ingestelde kunstenaars dachten dat de macht van de bolsjevieken snel zou worden gebroken en weigerden elke samenwerking. Maar toen de communisten de burgeroorlog wonnen, boden zij alsnog hun diensten aan. De nieuwe machthebbers gingen er gretig op in - de traditionele kunstenaars maakten ten minste kunst die zijzelf en het volk konden begrijpen - en de avantgardisten moesten hun belangrijke staatsfuncties afstaan.

Toch is niet 1921, maar 1932 het eindpunt van de De grote utopie, de monstertentoonstelling over de Russische avant-garde, die na de opening in Frankfurt nu in het Stedelijk Museum in Amsterdam te zien is. En inderdaad: de Russische avantgardisten waren na 1921 nog lang niet uitgedroomd. Ook al werden ze gedegradeerd tot docenten aan kunstscholen, nog steeds wilden ze de vormgevers van de nieuwe maatschappij worden. Het meest praktisch stelden de constructivisten zich op. Zij besloten in 1921 eenvoudigweg op te houden met het maken van onbegrijpelijke schilderijen - dat was eigenlijk toch meer iets voor bourgeois kunstenaars als Kandinsky, vonden ze - en legden zich toe op het ontwerpen van nuttige dingen als serviezen, boeken, affiches, meubels, kleding en vooral gebouwen. Hun praktische instelling heeft niet mogen baten. In 1932 werden alle kunstenaars- en architectenverenigingen per decreet opgeheven en twee jaar later werd het socialistisch realisme voor alle kunsten verplicht gesteld.

Het belangrijkste wapenfeit van de avantgardistische ambtenaren tijdens hun vierjarige heerschappij was de verstrooiing van hun werken over de gehele Sovjet-Unie. Niet alleen de bewoners van de culturele centra Petrograd en Moskou, maar ook de boeren, arbeiders en soldaten diep in de provincie moesten betere mensen worden door hun geometrisch-abstracte kunst. Te oordelen naar De grote utopie zijn de avantgardisten toen genereus geweest. Ze hebben de musea in plaatsen als Krasnodar, Vladivostok, Krasnojarsk, Tasjkent, Alma Ata, Saratov, Koeskovo, Jaroslavl, Nizjni Tagil en Bakoe niet afgescheept met de minste werken.

Weerbarstig

Waarschijnlijk zal het lang duren voor men weer zoveel werken van de Russische avant-garde bijeen kan zien als nu op De grote utopie. Vier jaar hebben twintig wetenschappers uit Duitsland, de voormalige Sovjet-Unie en de Verenigde Staten nodig gehad om de ongeveer 800 kunstwerken bij elkaar te brengen. De grootste dwarsligger was het weerbarstige Ministerie van Cultuur van de Sovjet-Unie, dat pas na bemiddeling van Gorbatsjov tot medewerking bereid was. Inmiddels is de Sovjet-Unie uit elkaar gevallen en zijn de hindernissen nog groter geworden. Degenen die in de toekomst een soortgelijke tentoonstelling willen organiseren, krijgen niet te maken met één, maar met een stuk of acht voorlopig nauwelijks minder weerbarstige ministeries van cultuur.

Oorspronkelijk was het helemaal niet de bedoeling dat de De grote utopie ook Amsterdam zou aandoen. Maar door alweer een vertraging in de uitbreiding van het Guggenheimmuseum kon het Stedelijk Museum zich met succes als tussenstation opwerpen.

De Amsterdamse tentoonstelling is niet dezelfde als die in Frankfurt. De Frankfurtse Grote utopie kende een overdonderende ouverture in de vorm van een grote erezaal, waar temidden van kubistische en suprematistische schilderijen en lattenconstructies het Zwarte Vierkant hing, Malevitsj' eerste suprematistische schilderij. Het beroemde werk uit 1915 had hier het effect van een steen in een rimpelloze vijver, al ging het om een door Malevitsj zelf gemaakte kopie uit 1928. Wat volgde was een logische presentatie van de Russische avant-garde aan de hand van ongeveer 800 werken. Ze waren geordend naar kunsttakken (fotografie, textiel, theaterkostuums en -decors, affiches en boekomslagen en architectuur) en naar groepen, van Malevitsj' suprematistische OeNOVIS-groep tot OST-schilders als Joeri Pimenov en Alexander Deineka met hun grimmige realisme. Wel waren de twintig wetenschappers vergeten behoorlijke toelichtingen bij de werken te hangen. Een aantal was zelfs helemaal niet voorzien van een bordje met titel, maker en jaartal. Slechts gewapend met een foldertje moest de bezoeker zijn weg vinden in het oerwoud van de Russische avant-garde met zijn talloze soorten en ondersoorten. Vooral op de afdeling architectuur brak dit de gemiddelde bezoeker op. Velen zullen alleen hun schouders hebben opgehaald bij al die vreemde ontwerpen voor ruimtesteden en kleine hutjes.

Botanische tuin

Op de Amsterdamse tentoonstelling zijn de toelichtingen iets uitgebreider, al beperken ze zich hoofdzakelijk tot informatie over de bekendste avantgardisten en zijn ze geschreven in een merkwaardig soort Nederlands. Maar een overdonderend begin heeft de Amsterdamse Grote utopie niet. De bezoeker moet eerst een tocht maken door kleine ruimtes met op zichzelf prachtige kubistische en suprematistische schilderijen voor hij het Zwarte Vierkant te zien krijgt.

Vergeleken met de Amsterdamse jungle was de Frankfurtse tentoonstelling een botanische tuin. De Kandinsky's bijvoorbeeld hingen in Frankfurt bij de schilderijen van Rodtsjenko en andere constructivisten met wie Kandinsky in het Instituut voor de Kunstzinnige Cultuur (INChOEK) samenwerkte. Die opstelling maakte de constructivistische invloed zichtbaar op de toenemende geometrisering van Kandinsky's werk in de jaren 1914-1921. In Amsterdam moet Kandinsky de ruimte delen met Pavel Filonov, met wiens werk het zijne niets te maken heeft. En op de plek waar de Filonovs wel thuishoren, bij de analytische en organische kunst in de nieuwe vleugel van het Stedelijk waar de jungle overigens hermetische vormen heeft aangenomen, ontbreken ze juist.

De catalogus van 771 bladzijden, speciaal op dun papier gedrukt om hem til- en betaalbaar te houden, brengt slechts gedeeltelijk duidelijkheid in de verwarring. Hij staat vol gedegen, maar specialistische deelstudies - in de Frankfurtse catalogus nog alleen in het Duits, in de Nederlandse afwisselend in het Engels, Duits en Nederlands. Wat ontbreekt is een meeslepend verhaal over de ambitieuze poging van de Russische avant-garde om met kunst, industriële vormgeving en architectuur de wereld te veranderen.

Misschien dachten de tentoonstellingsmakers dat ook zonder uitleg De grote Utopie wel de moeite waard zou zijn. Gelukkig hebben ze daar gelijk in: de tentoonstelling is ondanks alles een feest dat alleen al door de omvang niet één maar verschillende bezoeken verdient. Wie niet gaat, krijgt spijt.