De hamvraag over Hollandia blijft onbeantwoord

De reactie op Kamervragen die minister Pronk (ontwikkelingssamenwerking) deze week naar het parlement stuurde over de stroom orders die Hollandia Kloos in Indonesië verwierf, laten één vraag onbeantwoord: werd het familiebedrijf van premier Lubbers nu wel of niet bevoordeeld door het departement?

Hollandia Kloos kreeg in een periode van tien jaar, geholpen met 130 miljoen gulden overheidssteun, vervolgorders voor verkeersbruggen in Indonesië zonder dat het ministerie de eigen hoofdregel toepaste - Pronk bevestigt aan de Kamer dat hier sprake is van een “unieke” gang van zaken.

Die hoofdregel bepaalt dat vervolgopdrachten pas worden gegund als een openbare aanbestedingsprocedure is doorlopen. Hiervan kan worden afgeweken als langs andere weg wordt vastgesteld dat een bedrijf tegen een concurrerende prijs werkt. Doel van de regel is handjeklap tussen ondernemers en overheden in Derde-wereldlanden - en dus prijsopdrijving - te voorkomen.

In 1979 kreeg Hollandia Kloos een eerste opdracht voor de levering van verkeersbruggen aan Indonesië. Dat verliep geheel volgens de regels. Het bedrijf wist de order binnen te slepen na concurrentie met diverse andere ondernemingen: Hollandia Kloos was de goedkoopste. Van 1982 tot eind vorig jaar werd bij vier vervolgopdrachten evenwel geen openbare aanbestedingsprocedure uitgevoerd.

In zijn antwoorden wijst de minister erop dat er in zijn ogen twee goede redenen waren om van de hoofdregel af te wijken. De eerste: de Indonesische regering wenste met Hollandia Kloos te werken. Maar gaat het hier niet om Nederlandse regels en om Nederlands geld? Dat de Indonesische regering aan deze regels geen behoefte had, en wel aan het geld, ontslaat de Nederlandse overheid niet van de verplichting de eigen regel toe te passen. Het is moeilijk in te zien dat op die op die manier is voldaan aan het uitgangspunt van vrije concurrentie.

Een tweede reden die Pronk noemt om van de eigen hoofdregel af te wijken is dat Indonesië zich op een alternatieve wijze - via een eigenhandig uitgevoerde internationale prijsvergelijking - wist te verzekeren van een concurrerende prijs. Hij noemt dit “aanvaardbaar”. De minister laat in zijn antwoord aan de Kamer echter in het midden wat de resultaten van die prijsvergelijkingen waren.

Maar Pronk kan weten dat de Indonesische autoriteiten nauwelijks belangstelling hadden voor een zo laag mogelijke prijs. Citaat uit het onder zijn verantwoordelijkheid in 1990 gepubliceerde rapport Hulp of Handel? (bijlage 4, paragraaf 6): “Er zijn op dit moment in Indonesië twee staalbedrijven die in staat zijn technisch gelijkwaardige brugonderdelen te leveren tegen een prijs die circa 20-25 procent lager is dan de prijs van Hollandia Kloos”. Het Indonesische ministerie van openbare werken, zo stelt het rapport, “heeft echter weinig belang bij een zo laag mogelijke prijs omdat zij de bruggen om-niet ontvangen”.

De vraag is dan ook wat de internationale prijsvergelijkingen van Indonesië voorstelden. Want als Indonesië een voorkeur had voor Hollandia Kloos, en als Indonesië de prijs van het geleverde nauwelijks van belang achtte, waarom zou het land dan serieus naar andere gegadigden hebben gekeken? Met andere woorden: is hier wel zuinig genoeg omgesprongen met Nederlands ontwikkelingsgeld?

Daarbij komt dat het Nederlands Economisch Instituut (NEI) Pronk vorig jaar suggereerde bij een eventueel nieuwe Hollandia Kloos-leverantie aan Indonesië toch een openbare aanbestedingsprocedure te volgen. De materiële betekenis van het (vertrouwelijke) advies is sinds de stopzetting van de hulprelatie nihil. Maar gezien de nu ontstane discussie is het een interessant signaal. Zou het NEI tot een dergelijk advies zijn gekomen omdat vaststond dat Hollandia Kloos voortdurend de goedkoopste was?

Ook na de beantwoording van de Kamervragen bestaat er geen duidelijkheid over de vraag of het ministerie de eigen regels bij de behandeling van Hollandia Kloos naar letter en geest heeft toegepast. Dat wil zeggen: het staat niet vast dat er eerlijke concurrentie is geweest en het staat niet vast dat Hollandia Kloos de goedkoopste was. Voor alle betrokkenen, niet in de laatste plaats voor Hollandia Kloos, is op dit punt helderheid gewenst.

Parlementen behoren bestuurders te controleren. Bestuurders behoren parlementen van adequate informatie te voorzien. Maar de antwoorden van Pronk hebben nog geen parlementariër aanleiding gegeven om nieuwe vragen te stellen.