Bij een niet zo oude foto

Deze foto is een halve eeuw geleden in New York genomen, in de galerie van Pierre Matisse, 41 East 57th St.

Veertien kunstenaars in ballingschap wier werk, zoals we weten het veel langer heeft uitgehouden dan het Duizendjarig Rijk waarvoor ze de wijk hadden genomen, en nu ook al langer dan het rijk van het Reeël Bestaande Socialisme waarin sommige daar aanwezigen toen nog wel iets zagen. Het doet er niet meer toe. Als ze niet naar Amerika waren gegaan, zou de Amerikaanse kunst van na de oorlog er waarschijnlijk heel anders hebben uitgezien. Als ze naar de Sovjet-Unie waren gegaan was de Sovjet-kunst er even waarschijnlijk niet noemenswaardig door veranderd.

Interessant is hoe deze kunstenaars naar hun fotograaf kijken. Mij dunkt: de meesten doen dat heel anders dan de meeste kunstenaars van nu. Breton zit er voor zijn doen nogal onnozel bij. Als er een camera in de buurt was, gaf hij meestal de voorkeur aan zijn arendsblik of hij verzon een surrealistisch grapje. Mondriaan, die in New York Mondrian heet, keek altijd zo. De anderen denken, zo te zien: Vooruit met de geit! Op twee na die zich hebben voorgenomen er een werkelijk portret van te laten maken: Roberto Matta Echaurren, de Chileense surrealist en Ossip Zadkine die door het bombardement van Rotterdam in Nederland nationaal bekend is. Ze kijken streng, hoewel niet opmerkelijk, niet ongewoon. Yves Tanguy en Max Ernst zien het belang van deze zitting helemaal niet in.

Dit is het eerste verschil met het gemiddelde fotoportret van de hedendaagse kunstenaar. Hoe vaak zie je ze in de krant, borend in de lens kijken en denken: Hou me vast of ik bega een ongeluk. Als zo'n foto bij een vraaggesprek hoort, staat er dan negen van de tien keer een kop boven die begint met Ik, gevolgd door een hoogwaardige uitspraak. Als je de moeite zou nemen een jaar lang al die koppen uit te knippen en onder elkaar te plakken, zou je geloven dat de bevolking van de Olympus aan het woord was. Het hoort tot die plannetjes die je nooit uitvoert. Nu beginnen! Neem een willekeurige Vrij Nederland uit de stapel. Meteen raak: "Ik heb een instinct ontwikkeld om in alles de beurse plekken te ontdekken.' Ik zeg niet welke diagnosticus hier aan het woord is. Het gaat om het verschijnsel; niet om de man.

Stel je voor welke Ik-kop boven een interview met Max Ernst of André Breton had gestaan. Geen. Vijftig jaar geleden was het interview nog niet in de mode en tachtig jaar geleden zeker niet. Het manifest was toen het populaire genre en als het een goed manifest was, maakte dat alle vragen overbodig.

Veertien heren die huis en haard hebben verlaten. Hun atelier geplunderd, hun eigen publiek onbereikbaar. Dit allemaal in aanmerking genomen zien ze er keurig (er is er maar één die geen das draagt) en buitengewoon monter uit. Maar aan de andere kant: zo'n wonder is dat ook weer niet. Behalve Mondriaan zijn ze tussen de veertig en vijftig, in de kracht van hun leven, ze kunnen bogen op een stevige reputatie en in New York worden ze geëerd als de nieuwe genieën uit de Oude Wereld.

De foto is in zwart-wit; het pièce de résistance van een document dat nog twee teksten van kunstkritisch gehalte bevat. Dit proza maakt dankzij zijn duisterheid nog een moderne indruk. De foto wordt opgevrolijkt door de handtekeningen in verscheidene kleuren waardoor het een kunstwerk op zichzelf wordt. Ik heb het gezien en aangeraakt, en dus de charme, de betovering, de kleine magie ondergaan die deze veertien aan dat stukje papier hebben verleend. Ik benijd de eigenaar, Gert Jan Hemmink, die het bij het Antikwariaat van De Slegte heeft gekocht en zo vriendelijk was, mij jaloers te maken.

Ik heb er ook even aan gesnuffeld. Niets bijzonders. Een halve eeuw is niet genoeg om er de geur van het voorbije aan te geven. Daarna keken we er weer naar, ongeveer zoals je mensen ook weleens naar een nieuwe of een buitenissige auto ziet kijken. Wat gaat er dan door je heen? Weinig dat niet kan worden samengevat met een Tjongejonge!

Stel je voor, zei een van ons, dat er nu een groepsfoto zou moeten worden gemaakt van veertien kunstenaars tussen de veertig en vijftig, die ongeveer dezelfde betekenis zouden hebben. Wie zou je daar dan op zetten?

"Geen idee,' zei de ander, en ik zei: "Ik zal het de lezers vragen.'

Foto: Eerst rij v.l.n.r. Matta Echaurren, Ossip Zadkine, Yves Tanguy, Max Ernst, Marc Chagall en Fernand Léger. Tweede rij v.l.n.r. André Breton, Piet Mondriaan, André Masson, Amedee Ozenfant, Jacques Lipchitz, Pavel Tchelitchew, Kurt Seligmann, Eugene Berman. New York, februari 1942 (foto George Platt Lynes)