Bankdirecteur Schlesinger is niet bevreesd voor kritiek op de EMU; Kritische open brief van economen verscherpt debat over de EMU

BONN, 12 JUNI. “Een starre monetarist, die onder elke kiezelsteen een gevaar voor inflatie ziet.” Zo omschreef in 1987 in kleine kring een boze James Baker, destijds in Washington nog minister van financiën, Helmut Schlesinger, de huidige president van de Duitse Bundesbank. Via Newsweek kregen de rest van de wereld en het getypeerde slachtoffer er weet van.

Slachtoffer? De eerste bewaker van de stabiliteit van de D-mark zal de barse Amerikaanse kritiek met genoegen hebben genoteerd. Want Schlesinger mag dan als topman bij de centrale bank in Frankfurt een overgangsfiguur zijn - hij werd september vorig jaar opvolger van de tussentijds afgetreden, tamelijk exuberante SPD'er Karl-Otto Pöhl en maakt oktober volgend jaar plaats voor de CDU'er Hans Tietmeyer - als Noordbeierse monetaire conservatief en als hoeder van de D-mark zal Bakers kritiek hem hoegenaamd geen zeer hebben gedaan.

Deze week bestaat de zogenoemde Duitse stabiliteitswetgeving precies 25 jaar. Zij bepaalt de doeleinden van het financieel-economische en monetaire beleid: prijsstabiliteit, zo groot mogelijke werkgelegenheid, extern evenwicht en "gepaste' economische groei. Binnen die soms conflicterende Viervuldigheid ziet de onafhankelijke Bundesbank het realiseren van de eerste doelstelling als haar allerbelangrijkste, ook zo erkende, taak. Zo gezien viert de nu 67-jarige Schlesinger, die al sinds 1952 bij de Bundesbank werkt, deze week óók een jubileum.

Hij heeft trouwens nóg een reden tot vreugde. Volgende week namelijk krijgt een nieuwe wettelijke regeling van de omvang van de Zentralbankrat haar parlementaire beslag. Gebroken is met regel dat elke Duitse deelstaat een eigen regionale Landesbank heeft èn een zetel in het hoogste orgaan van de Bundesbank. Sinds de Duitse eenwording zijn er niet meer elf maar zestien deelstaten, die naar grootte en economische kracht zéér uiteenlopen. Door samenvoeging van een aantal Landesbanken is het aantal regionale leden van de Zentralbankrat nu, na een taai gevecht met de deelstaten, beperkt tot negen, naast acht vertegenwoordigers van de directie van de centrale bank. Hier heeft geduldig lobbywerk van minister Theo Waigel (CSU, financiën) uiteindelijk succes gehad. Het hoogste Duitse monetaire orgaan behoudt daardoor nu toch een “effectieve omvang”, constateert Schlesinger tevreden.

De bankpresident kijkt terug op een leven in de wereld van het zeer grote geld, waaraan hij na zijn studie (in München) vrijwel direct begon. Want al in 1952 ging de 28-jarige econoom bij de Bundesbank (destijds: Bank Deutscher Länder) werken. In 1980, toen zondagskind en tegenpool Pöhl chef van de centrale bank werd, werd Schlesinger er vice-president. Op die plek vormde hij, abusievelijk alléén gedacht als strenge monetaire tegenhanger, met Pöhl vele jaren lang een complementair bankiersduo.

Hij was gisteravond uit Frankfurt gekomen voor een diner met buitenlandse journalisten. Van de asperges proefde hij nauwelijks, van de eeuwige Riesling helemaal niet. Een groot spreker is Schlesinger niet, maar hij heeft een mooi ironieteken en er is veel te bespreken in deze spannende Europese dagen. Dat was direct al zo na het EG-topakkoord over de verdragen van Maastricht (over de Europese Politieke en Monetaire unies dus), en dat is nu - na het afwijzende Deense referendum - eens te meer zo.

Na "Maastricht' stak een publieke storm de kop op in Duitsland. Het offeren van de stabiele D-mark, in 1996 of 1998, op het EMU-altaar van één Europese munt en één centrale Europese bank kwam en komt veel Duitsers voor als een gang naar de Zuideuropese Beëlzebub. Naar een verwerpelijke latijnse wereld dus, waarin opportunistische politici zich almaar bemoeien met met monetaire beleid van de centrale bank. Ja, waar die politici nu al roepen dat met het EMU-verdrag straks óók het strakke D-mark regime van Frankfurt en de Duitse economische dominantie doorbroken is. Waar of niet, dat beeld is nogal wat in Duitsland dat in de D-mark niet alleen een monetair maar ook een psychologisch anker ziet.

Van Rudolf Augsteins Der Spiegel tot het massablad Bildzeitung en van Die Welt tot de Frankfurter Allgemeine Zeitung schetsten de straks komende noodtoestand in dramatische scenario's. Duitsland, naar het lelijke woord van oud-kanselier Helmut Schmidt toch al hevig “nettobetaler” in de EG, moet veel meer aan "Europa' gaan betalen en verspeelt ook nog eens zijn D-mark. En, het moet gezegd, ook de directie van de Bundesbank, kwam in haar maandverslag over april met enige posterieure kritiek op de akkoorden van Maastricht, onder meer op de hier en daar vage afspraken over de weg naar de EMU. Schlesinger, die door de regionale Landesbank-presidenten in zijn eigen Zentralbankrat was gekritiseerd, moest zodoende zijn eerdere instemming met de Maastrichtse akkoorden van als het ware enigszins corrigeren.

Na het afwijzende Deense referendum spoelen nu nieuwe “anti-Maastrichtse” golven door de Bondsrepubliek. Dat Duitsland niet alleen de grootste netto-betaler maar als exporteur ook de eerste begunstigde van de EG is, en dat het ook een politiek belang bij de (zijn) Europese integratie heeft, doet daaraan niet af. Het Europese debat werd deze week onder meer verscherpt door een kritische open brief van ruim zestig hoogleraren economie waarin het Maastrichtse EMU-akkoord wordt gewraakt. Onder meer omdat het te weinig garanties zou bieden voor de onafhankelijkheid van de toekomstige Europese centrale bank. Schlesinger blijft kalm bij deze kritiek. De onafhankelijkheid van de Eurobank zal dezelfde zijn als die de Bundesbank vandaag kent, zegt hij stellig. De kritische brief is niet getekend door de chefs van de (vijf) grote Duitse economische instituten. En, zegt hij erbij, “evenmin door anderen met grote praktische ervaring, de meeste ondertekenaars ken ik noch persoonlijk noch uit economische geschriften”.

De disciplinerende werking van de Maastrichtse afspraken met hun strenge EMU-toelatingscriteria, is nu in de EG al te merken, zegt Schlesinger. Wel wil hij herhalen wat hij vóór de Maastrichtse top al heeft bepleit, namelijk dat het beter ware geweest om een duidelijk herkenbare overgangsfase naar de EMU in te lassen, waarin de Duitse en Europese burgers hadden kunnen wennen aan een Europese munt naast hun nationale valuta. Wat dat betreft had hij in het EMUverdrag ook liever géén preciese en definitieve ingangsdatum voor de éne munt gezien. Het zou beter zijn geweest als de EG-landen geleidelijk naar meer echte economische convergentie hadden kunnen groeien, terwijl hun bevolkingen daaraan gewend waren geraakt. Maar de zorgen van die economen-brief deelt de Duitse bankpresident helemaal niet, zegt hij. Op voorwaarde althans dat over een paar jaar strak wordt vastgehouden aan de EMU-toetredingseisen. Op vragen aangaande de zorgelijke positie van Italië - kan dat land ooit EMU-lid worden? - antwoordt hij met behulp van een vrolijk ironieteken: “Italië kent zóveel innovatieve ondernemers, of zij nu zich nu veel van de staat aantrekken of niet, dat ik daarover niet zonder hoop ben”.

Schlesinger, grootvader van vier Griekse kleinkinderen, heeft andere zorgen. Hij wil niet ingaan op vragen naar de "echte' motieven die zijn voorganger Pöhl zomer 1991 hebben bewogen om tussentijds (en om “privéredenen”) te vertrekken. Hij wil dus ook niet zeggen of Pöhl zich gebruskeerd voelde door de politieke prioriteiten die kanselier Kohl c.s. in het razendsnelle Duitse eenwordingsproces lieten prevaleren boven afwijkende adviezen uit Frankfurt. Adviezen bijvoorbeeld aangaande de Duits-Duitse monetaire unie (de gekozen wisselkoers tussen D-mark en Ost-mark vooral) en de aanloop naar het EMU-verdrag. Maar ook Schlesinger houdt economisch gesproken ook wel eens zijn hart vasthoudt als hij aan de politicus Kohl denkt. Dat blijkt als hij zegt wat hij van hem verwacht op de komende conferentie, begin juli in München, van de zeven grote industriestaten (de G-7). “De kanselier zal daar alleen beloven wat hij kan waarmaken, hij zal er rekening houden met de begroting-'93 die dan net in zijn kabinet en coalitie zal zijn aanvaard.”

Wat Schlesinger bedoelt is duidelijk. De komende “spaarbegroting” van minister Waigel mikt op een maximale uitgavenvergroting van 2,5 procent. Zij is onderdeel van een meerjarenprogramma om het begrotingstekort in '95 weer onder 3 procent te krijgen, waarmee Duitsland dan ook (weer) zou voldoen aan een EMU-norm. Als dat lukt, dat wil zeggen: als Kohl en andere politici aan die doelstelling geen afbreuk doen met nieuwe kostbare beloftes, zeg aan landen in Oost-Europa, is de bankpresident trouwens tamelijk gerust over de economische perspectieven van de Bondsrepubliek. Dat wil zeggen: als wéér andere niet-economen, hij noemt geen namen maar iedereen denkt aan de SPD en bondspresident Weiszäcker, niet alsnog fiscale of andere lastenverzwaringen in West-Duitsland weten door te drukken. De opbouw van Oost-Duitsland is alleen mogelijk als de Westduitse economie sterk blijft, waarschuwt hij. Ook de vakbeweging is er zijns inziens nu wel redelijk van doordrongen dat zij de komende jaren aan het CAO-front kalmer aan zal moeten doen. Maar dat moet nog blijken. Volgend jaar.