Babydwergnijlpaardje te koop

Berlijn heeft sinds de hereniging van alles dubbel. De stad heeft bij voorbeeld twee Egyptische musea en twee musea over het wel en wee van de posterijen. En twee dierentuinen: de beroemde Zoologische Garten in het voormalige West-Berlijn en het Tierpark in Oost-Berlijn. “Berlijners beweren dat ze nog steeds aan elkaar kunnen zien uit welk deel van de stad ze komen. Geldt dat ook voor dieren?”

Tierpark, Am Tierpark 125. Dagelijks van 8 uur tot het donker wordt. Zoologischen Garten (ingang Hardenbergplatz 8 en Budapester Strasse 34. Dagelijks van 9 uur tot het donker wordt (op z'n laatst 18.30 uur).

Circus Rogall heeft zijn tent voor een week neergezet op de hoek van de Wildenbruchstrasse en de Heidelbergstrasse, op de grens van Treptow en Neukölln, een Oost- en een Westberlijnse wijk. In iedere straat van deze tot voor kort gescheiden wijken hangt wel een poster om de voorstellingen aan te kondigen. Komt dat zien, iedere dag om vier en om acht uur. Tevens gelegenheid tot bezichtigen van de stallen. Om de voorbijgangers ervan te overtuigen dat de show gevarieerd is, heeft het circus twee verschillende posters door de wijken verspreid. Op de ene zwaait een cowboy op een steigerend wit paard een lasso door de lucht, op de andere lacht een clown. Met deze twee affiches verraadt Circus Rogall zich. Wie de Wildenbruchstrasse en de Heidelbergstrasse kent, weet dat het grasveldje op hun hoek niet groot genoeg is om een circus van formaat te herbergen. Het circus heeft de affiches gekocht. Slechts de oranje banen met de naam van het circus en de informatie over standplaats en aanvangstijden heeft Rogall zelf laten drukken. Het witte paard van de poster treedt hier niet op, het is de trots van tientallen rondreizende circussen.

Zou Circus Rogall uit het oosten of uit het westen komen? Berlijners beweren dat ze nog steeds aan elkaar kunnen zien uit welk deel van de stad ze komen. Geldt dat ook voor dieren? In de stal van circus Rogall is het in ieder geval niet te zien.

In de stal, een rechthoekige tent achter het ronde circustentje, staan alleen een paar pony's en een oude lama. In een hokje op de vloer ligt een nest gevlekte puppy's. Er is geen moederhond, behalve de lama en ik zijn hier geen volwassenen. Bezoekers en kaartverkopers zijn snotterig en onder de tien. Twee hondjes sabbelen aan een oud pluchen beest waarvan de soort niet is vast te stellen. Is het een giraf of een paard?

Er zijn in Berlijn natuurlijk meer dieren dan in deze stal op de grens van Oost- en West-Berlijn. De beroemdste staan in de Zoologische Garten in West-Berlijn. Maar ook Oost-Berlijn heeft een dierentuin, het Tierpark, weliswaar niet met een naar haar vernoemd treinstation, zoals Zoo, maar wel met een eigen metrohalte.

Overnieuw

Berlijn heeft sinds de hereniging van alles dubbel. Soms komt dat doordat gebouwen en collecties zich in 1945 niet in dezelfde zone bevonden, zoals bij het Ägyptisches Museum. Voor het deel van de collectie van dit museum dat in het westen terecht was gekomen, werd tegenover slot Charlottenburg een nieuw museum ingericht. Vaker bevonden zowel collectie als gebouw zich aan dezelfde kant van de nieuwe grens. Dan moest een van de twee Duitslanden helemaal overnieuw beginnen. Waarom er soms wel en soms niet besloten werd tot het oprichten van een pendant, is raadselachtig. Het weer verenigde Berlijn heeft nu bij voorbeeld twee musea over het wel en wee van de posterijen maar slechts een botanische tuin (in het westen) en een natuurhistorisch museum (in het oosten). De meeste culturele gebouwen stonden in 1945 in de Sovjetzone, het oude centrum van de stad dat nu weer Mitte heet. De BRD heeft dus meer moeite moeten doen om van haar deel van Berlijn een volwaardige stad te maken dan de DDR. Maar de Zoologische Garten bevond zich sinds 1841 ten westen van het centrum, in het Diplomatenviertel. Na de oorlog waren er in de door bombardementen getroffen Zoo van de 4.000 zoogdieren nog 91 in leven. Toch ging in 1952 een deel van de tuin weer open.

Al in 1954 besloot de DDR aan deze ongelijkheid een einde te maken. In het park van het laat zeventiende-eeuwse slot Friedrichsfelde moest een dierentuin gebouwd worden. In 1955 opende president Wilhelm Pieck het eerste deel voor publiek. Het bekijken van dieren was voor de inwoners van een socialistische staat kennelijk van meer belang dan het bewonderen van kunstschatten uit het verleden. Volgens Pieck moest de dierentuin symbool worden van de culturele ontwikkeling van de DDR-hoofdstad. De restauratie van het in de oorlog zwaar getroffen Museuminsel had geen voorrang. Het Neues Museum is nog steeds een ruïne.

Een dierentuin in Oost-Berlijn... kleine hokken met tralies ervoor, waarin grauwe dieren liggen te verkommeren, is de eerste gedachte. De gelijkenis met de Oostberlijners zelf, opgesloten achter een muur, ligt voor de hand. Het is anders. De dierentuin in Oost-Berlijn is in de jaren vijftig en zestig aangelegd en dat betekent voor zover mogelijk geen kooien maar grote, vaak door grachten omheinde stukken grond waarop de dieren meer bewegingsvrijheid hebben. Het valt de bezoeker minder snel op dat ze gevangen zitten. Om een dier te zien te krijgen, moet je lang lopen in dit 160 hectare grote park, dat nog steeds wordt uitgebreid. In de veel kleinere Zoologische Garten zijn nog wel echte hokken te zien, al is de architectuur daar niet treurig. Veel van de negentiende-eeuwse gebouwen van de architecten Ende en Böckmann zijn bewaard gebleven of gerestaureerd. Dit duo bouwde de hokken in de stijl van het land van herkomst van de dieren. De Indische olifanten wonen in een pagode.

In het Tierpark bezit alleen het in 1979 geopende apeneiland architectonische elementen. Het is een ruïne als in de tekenfilm Jungle Book, vol omgevallen pilaren, bemoste klassieke bustes en half vergane amfora's. Toch herleven de ideeën van Ende en Böckmann hier niet. Op het eiland wonen Japanse "roodsnuit'-makaken.

Maar ook in Oost-Berlijn is de historie nooit ver weg. De ijsberenberg werd bij voorbeeld uit de granieten overblijfselen van de Deutsche Bank opgetrokken. En voor wie wil zijn ook de metaforen in het oosten altijd dichtbij. In de gids uit 1989 die bij de ingang te koop is, staat in het hoofdstuk over fotografie: “Vogels en kleine dieren die achter fijnmazig ijzergaas moeten leven, kunt u ook zonder tralies fotograferen. Houdt de camera zo dicht mogelijk tegen het gaas. Dingen die heel dicht bij de lens staan worden zo onscherp dat ze bijna onzichtbaar zijn en dus afwezig lijken.”

Het grootste verschil tussen oost en west laat de kinderboerderij zien. Net als in Nederlandse dierentuinen is de Westberlijnse kinderzoo ingericht als een ouderwetse boerderij, waar kinderen inheemse dieren als geiten, ganzen, schapen en varkens kunnen zien en voelen. Vooral voor kinderen uit de stad schijnt dit leerzaam te zijn. Deze nostalgie naar het negentiende-eeuwse platteland ontbreekt in Oost-Berlijn. De kinderen moeten zich daar vermaken met Vietnamese hangbuikzwijnen en Hongaarse wolvarkens. Er zijn ook wel wat schapen (de witte en de zwarte in aparte hokken), maar ze lopen niet vrij rond. De Oostduitse kinderboerderij berust op een ander idee. De hier opgesloten dieren doen volwassenen aan kinderen denken: visotters, dwerggeiten en wasbeertjes, altijd goed voor een vertederde lach.

Ontslag

Het museumlandschap van Berlijn zal de komende jaren ingrijpend veranderen. De tweelingen veranderen weer in eenlingen. In het Neues Museum zullen bij voorbeeld de twee Egyptische musea weer worden samengevoegd. In de dierentuinen blijft alles zoals het is, al heeft het Tierpark inmiddels een uit de Zoo afkomstige directeur en zijn 150 van de 450 medewerkers ontslagen. Voor de dierentuin zelf is meer geld beschikbaar dan ten tijde van de DDR.

Berlijn is groot genoeg voor twee dierentuinen, zeggen de woordvoerders. Het is volgens hen niet eens iets bijzonders; ook Rome, New York, en Chicago bezitten twee dierentuinen. Het beleid van de tuinen blijft hetzelfde. Ze zullen zich niet op verschillende soorten gaan toeleggen. Zowel de West- als de Oostberlijnse tuin blijven dwergnijlpaarden fokken. Het hok voor de dwergnijlpaarden is in Oost-Berlijn groter en moderner dan in West-Berlijn, met neprotsen en houten planken in plaats van wit geschilderd ijzer en gladde tegels. Er loopt een babydwergnijlpaardje rond. Het wil drinken bij zijn moeder, maar daar heeft de moeder geen zin in. Het grote dwergnijlpaard wil alleen maar ijsberen, haar kop tegen de muur stoten en trappen naar haar kind. Wie tegen dierentuinen is, vindt in het gedrag van het dwergnijlpaard het best denkbare argument. Dit dwergnijlpaard heeft ondanks de betere behuizing net zo'n slecht humeur als haar Westberlijnse lotgenoten. Voor dieren geldt het dus niet; je kunt niet aan ze zien of ze uit het oosten of uit het westen komen.

De dieren uit de Oostberlijnse dierentuin troffen toch een beter lot dan hun collega's in Sint Peterburg. Daar is geen geld meer om ze goed te verzorgen. De dieren worden nu bij opbod verkocht, en waar komen ze dan terecht? Niet alle soorten zijn even gemakkelijk kwijt te raken. Voor de collectie Amerikaanse kakkerlakken is nog geen koper gevonden. Een oppasser in het Tierpark denkt dat de markt voor dwergnijlpaarden beter is, al hoeft het Tierpark uit geldnood geen dieren te verkopen. Van de dwergnijlpaarden hebben ze er genoeg, daarom is het babydwergnijlpaardje te koop voor tienduizend mark. Om de kas van de Oostberlijnse dierentuin te spekken (een kaartje voor het Tierpark is nog altijd een mark goedkoper dan voor de Zoologische Garten) is de verkoop van souvenirs wat voortvarender ter hand genomen. De kiosk in het Tierpark verkoopt borden, dassen en asbakken versierd met panda's, een van de weinige soorten die alleen de Zoologische Garten bezit. Maar er is ook nog een hoekje met souvenirs van Oostduitse makelij. Er zijn drie soorten knuffeldieren, die twee jaar geleden ook al te koop waren bij speelgoedwinkels in Dresden. Er is keuze tussen een eend, een kuiken, en een kruising tussen een paardje en een giraf. Er is nu toch geen twijfel meer mogelijk: de hondjes van Circus Rogall komen uit het oosten.

Nog altijd.