Amsterdam als kunstwerk; Het Poffertjesplein

In Amsterdam rijden sinds kort de tramlijnen twee en vijf een mooie nieuwe route. Bij de eveneens nieuwe halte Rijksmuseum stapt H.J.A. Hofland uit. Hij wandelt richting Concertgebouw en passeert het voormalige Museum Overholland, achter een open hek, maar met een papier op de deur: "Dit museum is gesloten'. Hij overdenkt de geschiedenis van het sinds 1988 door Van Gogh Village en lege sokkels geteisterde Museumplein: “'t Is een wonder dat de dames en heren die verantwoordelijk zijn voor die vier jaar van machteloos en lachwekkend gepruts nog niet door de Amsterdamse bevolking met pek en veren op het Museumplein zijn behandeld.”

Amsterdam, de laatste zondagochtend van de goddelijke meimaand 1992. Het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf heeft een dag tevoren het traject Leidseplein via de Paulus Potterstraat naar de Van Baerle voor de regelmatige dienst van de lijnen twee en vijf geopend. Door de ruit van de tram openbaart de hoofdstad een nieuw perspectief dat degene die zijn stad lief heeft zich niet mag laten ontgaan. Het laatste stukje van de Stadhouderskade met het uitzicht op de Leidsekade, de promenade met het terras langs het water, het nieuwe Casino en de Donnerbrug die toegang geeft tot het Euweplein: magnifiek! Een wijde openbare ruimte, niet brutaal, geen zware bolwerken van verkeerd begrepen prestige; grootsteeds, groen en beschut in zijn wijdheid. Wie hier nog muggen zift heeft zijn stad niet verdiend.

De tram, nieuw type, snelt beschaafd gierend de Hobbemastraat in. Een tram hoort een beetje te gieren; dit geluid is precies als het moet zijn. Het stukje Hobbemastraat, een jaar geleden nog een lelijke kleine sleuf, is ervan opgeknapt. Bij de halte Rijksmuseum stap ik uit om de aanblik van de herboren drie à viersprong (Museumplein met Hobbema, Jan Luyken en Paulus Potter) op me te laten inwerken: fris plaveisel, hoge gele stoepranden die het parkeren beletten en de achterkant van het Rijksmuseum waar een bord vermeldt dat dit het Rijksmuseum is. En dan, in het centrum van dit geheel, op de vluchtheuvel staat een ronde metalen constructie. Het is een spiksplinternieuw urinoir, of een gerenoveerde van het oude type; zo'n krul zoals er ook een op het een paar jaar geleden ingewijde Concertgebouwplein staat.

Over het trottoir richting Concertgebouw wandelend komen we rechts aan het Museum Overholland. Het hek is open. Op de deur is een stuk papier geplakt: DIT MUSEUM IS GESLOTEN. Verderop eerst het Monument voor de Vrouwen van Ravensbrück - de geluidsinstallatie die het dreunen van de oorlog weergaf is kapot - en dan nog één lege sokkel voor we de Van Baerlestraat bereiken. Hier, met het gezicht naar het Concertgebouw, van links naar rechts: het beeld van C. Kneulman, een dichtgetimmerd kraampje, de Bijbelhandel, de Fruitkiosk van Diny en Henk, de haringkraam, het Verschijnsel van Pearl Perlemutter en het chroomplastiek van André Volten wiens naamplaatje is gestolen, en daarmee hebben we de belangrijkste bezienswaardigheden van het Museumplein bezichtigd.

Beu

Hoe lang breken de Amsterdammers zich al het hoofd over "de toekomst van het Museumplein'? Om het onderzoek enigszins te beperken ben ik teruggegaan tot 1988, het jaar van het nieuw élan. In de publieke opinie was een toon van verbitterde vastberadenheid te bespeuren: het zou nu voorgoed gedaan zijn met de misgrepen en bestuurlijke wanprestaties. Het Museumplein mocht geen oefenterrein voor leerling-wethouders en vrijetijdsburgemeesters blijven. Deze krant schreef een prijsvraag uit waarop honderden inzendingen kwamen: op zichzelf een teken dat de Amsterdammers het gesol beu waren. Het verzet zocht verder een uitweg in een forum van verontruste belangstellenden, men liep te hoop in het wijkcentrum. Het werd 1989: Carl Weeber presenteerde zijn plan. Twee woontorens, een hoteltoren, zes stadsvilla's. Nieuwe burgeroorlogen, panels, forums, Eed van de Kaatsbaan in het wijkcentrum. Wij vechten voor ieder steentje! zwoer Richter Roegholt.

De gevechten bedaarden, 1990 werd een relatief rustig jaar voor de Pleindenkers. Op de grasvlakte was immers het "Van Gogh Village' verrezen, de ultieme nederzetting van poffertjeskramen, weliswaar passend in de Amsterdamse poffertjestraditie maar ook oorzaak van een nieuwe schakering van conflicten. Het publiek hield het bij de gewone kramen, het Village raakte in moeilijkheden maar dat bleek achteraf niet het belangrijkst. Blijvende schade richtte de poffertjespartij aan doordat met de bouw van die onzin de overeenkomst met het Museum Overholland werd geschonden. Het gelijk van Overholland, het ongelijk van de Gemeente is in een gerechtelijke uitspraak bevestigd. Toen was het Village al afgebroken en het Museum gesloten.

In de loop van 1990 week de verdoving van de Van Gogh-roes. De Dienst voor Ruimtelijke Ordening was met haar plan gekomen; de kranten heropenden de discussie. Versterk het tuinkarakter! Het Stedelijk moet ondergronds. Nee, de bussen moeten onder de grond! Alle auto's moeten onder de grond! Een vierbaans-tunnel. U hebt geen allure! Maar u mist lef! Er moet een fraaie allee komen! Leg die maar in je eigen tuin aan! Een terras voor het Rijksmuseum is de beste oplossing. Zeg dat nog eens als je durft! Het zwaarste struikelblok is de open zichtlijn. Een vrijmarkt. Nee, een harde rand. We moeten de assen verleggen! Ik ga thuis ook een notitie maken.

Dit is een heel kleine minicollectie van opmerkingen en uitroepen zoals die door de kranten zijn weergegeven. Niets ervan is verzonnen. Na het lezen van wat in de archieven van Het Parool en NRC Handelsblad tussen 1988 en vorige week over het Plein is verzameld, kon ik er geen touw meer aan vastknopen. Alles is vloeiend. Alle instanties bedreigen elkaar bij voortduring met rapporten, onderzoeken, ontwerpen, visies. Deskundigen worden als Servische rekruten in het vuur gestuurd. "Bestuurlijke slapheid, politieke onwil en oppermachtige ambtenaren die dwars liggen...', zo begint een beschouwing in deze krant op 2 mei 1988. Op 2 juni 1992 hoeft daaraan in ieder geval niets te worden veranderd. 't Is een wonder dat de dames en heren die verantwoordelijk zijn voor die vier jaar van machteloos en lachwekkend gepruts nog niet door de Amsterdamse bevolking op het Museumplein met pek en veren zijn behandeld.

Radicaal

Al kunnen we iedere variant dromen, al weten we voor onszelf wat de beste oplossing voor het Museumplein zou zijn, dan wil dit nog niet zeggen dat we daarmee het wezen van het vraagstuk hebben begrepen. De radicale oplossing zou zijn dat het hele stadsbestuur en dat van het Stadsdeel Zuid werden vervangen. Daarmee wil ik niet zeggen dat alle vraagstukken van Amsterdam deze overheden boven hun macht gaan. In het begin van dit artikel wordt dat al ontkend. Maar de jongste geschiedenis van dit plein bewijst in ieder geval dat ze hier niet toe in staat zijn.

De oorzaak is dat alle partijen worden verenigd door twee algemene doelstellingen die, nader gedefiniëerd, tot de onverzoenlijke tegenstellingen leiden. Ten eerste heeft iedereen die iets met het plein wil meteen een groot plan, een grand design; ten tweede wordt iedereen beheerst, zoniet bezeten door het perfectionisme dat de Nederlandse bestuurder eigen is; en ten derde - dat voltooit de stagnatie - heeft geen der betrokken partijen het formaat, de macht en de daarbij horende overtuigingskracht om haar wil door te zetten. 't Is geen schande; niet iedere korporaal kan het tot Napoleon brengen.

Hoe langer onder deze omstandigheden een krachtmeting duurt, hoe groter eerst het ongeduld, vervolgens de minachting der bestuurden. Men gaat zijn schouders ophalen over "het gekrakeel'; en wat zou men anders kunnen doen? Intussen wordt het betwiste gebied de facto een soort niemandsland waar iedereen met mate zijn eigen zin kan doen en als die is gedaan, zich omdraaien en de boel de boel laten. Vandaar een denkbeeld om het plein te verhuren voor een Vrijmarkt op Koninginnedag, de wanstaltige suikerraket van Miletic, het kitschkamp van het Van Gogh Village, lege sokkels, de beschadigde Vrouwen van Ravensbrück, en als het nog een jaartje duurt, de poffertjeskraam zoals er al een naast Van Randwijk staat, er om de haverklap een tegenover het nieuwe Lido wordt neergezet en zoals overal waar men zich geen raad weet met een open ruimte van enige omvang, een poffertjeskraam komt. Zo zal bij voortgezet beleid nog voor de 21ste eeuw het Museumplein het Poffertjesplein worden, met hier en daar een urinoir.

Eerzucht

Is er een kans dat de bestuurlijke inzichten en de krachtsverhoudingen binnenkort veranderen? Nee. Gaat daarom het Museumplein de toekomst tegemoet die ik hier in grote trekken heb aangegeven? Dat hoeft niet. Als een project in zijn geheel te groot is en de eerzucht van degenen die het moeten uitvoeren dienovereenkomstig, terwijl de rest tekort schiet, volgt daaruit nog niet dat de burgerij het slachtoffer moet worden. In dergelijke gevallen begint men klein, vermijdt de grote botsingen, en betracht de zorgvuldigheid die het vertrouwen in het bestuur zal herstellen. De mogelijkheden daartoe zijn op het Museumplein gegeven. Om dit te begrijpen moet men zich wagen aan een korte voorgeschiedenis.

Eind 1986 diende zich bij het stadsbestuur de heer Christiaan Braun aan met het plan om in een grote villa aan het Museumplein een particulier museum te stichten. Hij zou dat zelf financieren, er zijn eigen collectie tekeningen in onder brengen en regelmatig tentoonstellingen houden. Van de gemeente wilde de heer Braun de toezegging dat er geen kermisachtig gedoe voor de deur zou plaatsgrijpen en dat er tussen de Van Baerlestraat en het Rijksmuseum een wandelgebied zou worden aangelegd. Tussen de gemeente en de heer Braun werd een daartoe strekkende overeenkomst gesloten. Een wandelgebied was er feitelijk al en is er nog, zij het dan dat het al jaren een rommeltje is. Het wordt nu over het algemeen Museumpad genoemd.

De gemeente toonde geestdrift. 't Is geen wonder in een tijdvak dat gekenmerkt wordt door subsidies. Wat Braun wilde grensde aan het ongelofelijke. Wat hij deed ging nog verder. De villa werd gerenoveerd (wie, of welke instantie, welk belang zou er zich anders hebben gehuisvest?) en het Museum Overholland geopend. Van het begin af was het duidelijk dat Amsterdam zich hiermee een geslaagde culturele onderneming had verworven. Alleen met het wandelgebied wilde het nog niet lukken. Dat was niet zo verwonderlijk. Men had zaken van groter allure aan het hoofd: de Olympische Spelen moesten worden "binnengehaald'. Die worden nu in Barcelona gehouden; het wandelgebied ligt er nog bij als zes jaar geleden.

Evenementen komen en evenementen gaan. Braun had al het Vrouwencircus voor de deur gehad en een Piramide waarop niemand in het bijzonder had aangedrongen. Alle evenementen zijn altijd voorzien van sanitaire faciliteiten die nooit voldoende zijn voor iedereen. Intussen naderde de dag waarop het honderd jaar geleden was dat Vincent van Gogh stierf; voor de kenners van de Amsterdamse overheidsbehoefte aan pret-met-cultuur een voorproefje van de Jongste Dag. Voor het Museumplein werd het een armageddon met de nadruk op de pret. We weten hoe het is afgelopen: nog erger dan met de Olympische Spelen in Amsterdam. Zoals hierboven al vermeld: Braun begon een proces tegen de gemeente en kreeg gelijk maar door de ervaring gestaald had hij er genoeg van. Na de veelgeprezen tentoonstelling Black USA had hij zijn Overholland gesloten.

Dit is in alle lagen van het stadsbestuur en nog meer daarbuiten betreurd; schriftelijke bewijzen liggen ter inzage. Maar alle droefheid was niet voldoende om welke vertakking van de overheid dan ook ertoe te bewegen, de eerste spade voor het aangekondigde wandelgebied in de grond te steken of een ander gebaar te maken waardoor hij de overtuiging zou krijgen dat er een belofte werd nagekomen.

Het gaat te ver het dossier nu op de regel te volgen. Er verschenen bemiddelaars, van wie Braun in zijn eenvoud dacht dat die eigenlijk niet nodig waren, want - nietwaar? - beloofd is beloofd en daarop kan uitsluitend volgen: hou je aan je woord. Een enkeling veroorloofde zich tussen de regels ook een verdachtmaking. Intussen zag men op het Museumplein geen Museumpad; wel pret met alles wat pret aan bijverschijnselen heeft.

Op 19 december 1991 werd er bij het College van B. en W. opnieuw een brief van Christiaan Braun bezorgd. "In het vooruitzicht van een ongetwijfeld nog jaren voortslepende plannenmakerij stellen wij u voor, zonder op een definitieve herinrichting vooruit te lopen, in ieder geval gedurende deze tijd het Museumplein te benutten en te verfraaien door aan Amsterdam een beeldentuin te schenken van internationale allure die ruimte laat voor andere publieksfuncties.' Tekstanalyse leert dat de afzender intussen het een en ander van de gemeentedialectiek had geleerd, en men moet toegeven: er staan daar sokkels die wel een beeld kunnen gebruiken. De brief van Braun werd doorverwezen naar de Stadsdeelraad, en na nog een paar brieven over en weer trok Braun, misschien wat getraumatiseerd geraakt, zijn aanbod in. De nasleep van dit drama lijkt veel op wat er na de sluiting van Overholland is gebeurd.

Waarom?

Waarom heeft Christiaan Braun twee keer zo'n genereus aanbod gedaan? Waarom deed Van Beuningen het? Hij wilde zijn naam aan die van Boymans toevoegen. Waarom Kröller-Müller en Fodor? De namen van die musea zeggen het al. Dat van Christiaan Braun heet Overholland. Zit er dan iets anders achter? Waarom zou iemand er nieuwsgierig naar zijn wie komt om zijn tekeningen of een Cézanne-tentoonstelling te bekijken? Als er in het aanbod van Braun geen valstrikken zijn verwerkt, als hij - en daar ben ik van overtuigd - volstrekt eerlijke bedoelingen heeft die bij verwezenlijking de stad ten goede komen - wat iedereen erkent - waarover moet dan nog worden gepraat? Het plan voor de Beeldentuin is door alle kunstzinnige en bestuurlijke instanties van harte verwelkomd.

Inmiddels rijden lijn twee en lijn vijf hun nieuwe traject. Het perspectief van de Paulus Potterstraat wordt niet meer verstoord door geparkeerde auto's; het is er méér dan van opgeknapt. Wat let de gemeente na zes jaar het Museumpad aan te leggen en ernst te maken met de andere toezeggingen om daardoor de voortvretende verwaarlozing in dit gebied te stuiten? Misschien zullen die zichtbare activiteiten Christiaan Braun ervan overtuigen dat hij Overholland weer moet openen.

Ja, wat let de gemeente? De ontmoetingen tussen Braun en de overheid geven de toeschouwers (of de slachtoffers?) een zeldzame gelegenheid twee culturen met elkaar te vergelijken. Aan de ene cultuur zijn de Amsterdammers gewend. Die manifesteert zich bijvoorbeeld ook in de lotgevallen van De Waag, waar een televisiecentrum zou komen, een wintertuin, de grootste horecagelegenheid van de stad, ook zo'n tof conglomeraat van makroprojecten dat in een faillissement is geëindigd. Of de sloop of de restauratie van het Olympisch Stadion met een geweldig alternatief in Amsterdam Zuidoost waardoor een burgeroorlog met de gemeente Nieuweramstel al bijna niet te vermijden valt. Of in het klein nu met het "Zebrahuis' aan de Sarphatistraat dat tot sloop is gedoemd nadat onder de lekkende paraplu van de overheid zich daar jarenlang niets anders dan destructie heeft afgespeeld. Ik weet zoals iedereen die op zijn stad let nog wel meer voorbeelden. De overeenkomst tussen het Olympisch Stadion, de Waag, het "Zebrahuis' en het Museumplein is dat er nog veel of alles te redden valt. Het verschil tussen het Museumplein en die drie andere gevallen is dat hier iemand is verschenen die, met concrete en uitvoerbare plannen, zich niet met een kluitje in het riet laat sturen. Dat is "de botsing van twee culturen'.Treurspel

Wat nu? Moet men Christiaan Braun bijzetten in het mausoleum der vergeefsen? Het zou jammer zijn, voor Amsterdam misschien nog meer dan voor Braun. Het zou een slecht einde zijn voor zo'n treurspel. Braun is een merkwaardig monter man die zich door de stedelijke bureaucratie wel gefrustreerd voelt maar niet ontmoedigd. Het zwaarst, zegt hij, weegt het hem dat de burgemeester verklaard heeft dat hij niet te vertrouwen is. Het gaat hem er niet om dat de heer Van Thijn "in het stof zal kruipen'; hij wil, na zijn opmerkelijke lotgevallen met het Museumpad, de industrie van de pleinpret en wat er verder is voorgevallen tegen de letter en de geest van de oorspronkelijke overeenkomsten, een publieke verklaring dat hij degene is die juist wel te vertrouwen valt.

Niemand kan zeggen of dit de oplossing voor Overholland is, en of daarmee de vrede tussen de heren Van Thijn en Braun zou zijn bewerkstelligd. Maar iedereen weet dat een masterplan de diverse overheden die het moeten maken en uitvoeren op het ogenblik boven de krachten gaat. Daarom: klein beginnen, met mooie, zichtbare resultaten zoals het GVB nu heeft gedaan. Aanleg van het Museumpad, de beelden op de sokkels en daarbij de bordjes met de namen van de makers. Die kleine prestaties van vandaag zullen het gigantische van morgen niet in de weg staan.

Komt Christiaan Braun nog tot andere gedachten dan heeft Amsterdam geluk gehad.