Windmolenparken maken vogels vooral bang

Het aantal vogelslachtoffers rond een windmolenpark is, uitgedrukt per strekkende kilometer windpark, niet hoger dan dat nabij drukke verkeerswegen of hoogspanningsleidingen in vogelrijke gebieden. Vogels zullen windmolenparken zoveel mogelijk vermijden. Voor de vogelstand op lange termijn is het verlies aan leefgebied in de buurt van windmolenparken dan ook veel ernstiger dan de kans op rechtstreekse slachtoffers die een klap van een wiek hebben opgelopen.

Dat blijkt uit de eindrapportage Vogelhinderonderzoek waaraan het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek in Arnhem sinds 1984 heeft gewerkt. Opdrachtgever was de NV Samenwerkende Elektriciteitsproduktiebedrijven (SEP).

Volgens de SEP is windenergie een schone, hernieuwbare bron van energie die echter een veel groter ruimtebeslag vergt en vanwege het vele op- en afregelwerk ook een lager rendement heeft dan kolen- of gascentrales. Via diverse proef- en demonstratieprojekten hoopt de SEP zijn windmolenpark uit te breiden tot een vermogen van 1000 Megawatt in het jaar 2000. Verder wil men voorlopig niet gaan in afwachting van een commerciële windturbine-industrie en rendabele windturbines. Intussen blijken milieu-organisaties die windenergie aanvankelijk hoog in het vaandel hadden staan, vaak de grootste dwarsliggers te zijn bij de concrete uitvoering van proefprojekten, vooral vanwege de landschapshinder. Vandaar het vogelonderzoek.

In zes lentes en vier herfsten werden in totaal 76 vogels van 25 soorten gevonden, waarvan 36 procent zeer waarschijnlijk en 22 procent mogelijk het slachtoffer van een botsing was geworden. In de andere gevallen bleef de doodsoorzaak onbekend. Vooral tijdens donkere nachten met nevel, mist of regen vielen naar verhouding veel slachtoffers.

Tijdens de herfsttrek bleek 's nachts minder dan 0,1 procent vn de passerende vogels te botsen. Van de broedvogels in het voorjaar botste 0,06 procent. Voorspeld wordt, dat een windpark van 1000 Megawatt per jaar 21.000 tot 46.000 vogelslachtoffers zal maken. Een operationele windmolen uit het experimentele park bij Oosterbierum (Fr.) eiste minder slachtoffers dan een (onverlichte) vuurtoren of hoge zendmast. Trekvogels hebben minder hinder van lijnvormig geplaatste windmolens, omdat ze die beter kunnen ontwijken, hetgeen pas op het laatste moment blijkt te geschieden.

Voor broedvogels zijn juist groepsgewijs geplaatste molens minder bezwaarlijk omdat ze daarmee naar verhouding minder leefgebied verliezen. Eenden worden tot op 250 meter afstand verstoord, steltlopers tot op 100 meter, meeuwen tot 250-500 meter. Van de dertien onderzochte ogelsoorten waren wulp en goudplevier het meest gevoelig voor verstoring.