"Voor 't eerst zijn arme landen ook rijk'

JAN PRONK, de Nederlandse minister van ontwikkelingssamenwerking, is gematigd positief gestemd over de "wereldmilieutop'. “Deze conferentie heeft hoe dan ook de balans in de wereld veranderd.”

RIO DE JANEIRO, 11 JUNI. Voor de Nederlandse minister voor ontwikkelingssamenwerking, J.P. Pronk, is de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED) niet zomaar de zoveelste conferentie. Hij is cynisch genoeg om niet nu al te juichen, maar zelfs als een klein deel van zijn verwachtingen uitkomt is een andere en betere wereld een stapje dichterbij. Daar gelooft Pronk in: rijke landen die een substantieel deel van hun inkomen besteden om de arme landen te bevrijden uit de spiraal van armoede, bevolkingsgroei en milieudegradatie. En hij aarzelt niet om dat “socialistisch” te noemen.

“Deze conferentie heeft hoe dan ook de balans in de wereld veranderd. Voor het eerst blijkt dat je arm kunt zijn in inkomen, maar rijk in het bezit van hulpbronnen”, zegt Pronk met een verwijzing naar landen als India en Maleisië, die de wisselkoers van hun enige bezit - bos - bekwaam hebben weten op te drijven.

Niet alleen tussen arm en rijk op de wereld is de macht verschoven, meent Pronk. Ook in eigen land moeten regeringen anders opereren - door de opkomst van de niet-gouvernementele organisatie (NGO) in de politiek. “De vredesbeweging was geen succes. De vrouwenbeweging slechts ten dele. Maar op milieugebied hebben de NGO's de verhoudingen volkomen veranderd. Het is ondenkbaar dat landen als Groot-Brittannië, Canada en Nederland zonder de NGO's zouden kunnen opereren. Iemand zei me dat het met Brigitte Bardot is begonnen. Toen zij zeehondjes begon te kussen, was dat de doodskus voor de bonthandel.”

Pronk is een oude rot. Van 1973 tot 1977 was hij ook al minister van ontwikkelingssamenwerking. TerraViva, een van de kranten die de conferentie in Rio dagelijks verslaan, schreef in een vraaggesprek met Pronk dat “men altijd naar hem luistert, zelfs degenen die het niet met hem eens zijn, omdat zijn ideeën weldoordacht zijn en vaak de trend van de toekomst blijken aan te geven”. Pronk was een van de eersten die rechten van de mens koppelden aan ontwikkelingshulp, schrijft het blad, “destijds een krankzinnig idee, maar nu denkt de hele internationale gemeenschap langs deze lijnen”.

Hij is veranderd, zegt hij, en Nederland is veranderd. Harder geworden. “Wij geven nog steeds veel geld uit aan ontwikkelingshulp, ruim boven de norm die de VN stellen (0,7 procent van het bruto nationaal produkt, red.), maar geld mag niet langer in bodemloze putten verdwijnen. Als je arme landen zo lang zo veel steunt, mag je verwachten dat ze in die tijd ook iets geleerd hebben.

“Wij hebben er recht op dat ons geld goed wordt besteed, maar omgekeerd mogen zij ook voorwaarden stellen, ons de wacht aanzeggen - alleen zo voorkomen we dat zij altijd maar weer die bedelaars blijven.

“Als wij eisen stellen aan Indonesië mogen zij commentaar geven op ons buitenlands beleid. Als wij kritiek leveren op sommige landen wegens hun tropisch-houtexport mogen zij van ons vragen dat wij vervangende produkten gebruiken die geen milieubelasting opleveren.

“Het is misschien een beetje een verkeerd voorbeeld, maar toen Indonesië de relatie verbrak was dat eigenlijk wat we altijd gehoopt hebben: dat ze volwassen zijn. Als ik zo'n Maleisische vertegenwoordiger keihard zie onderhandelen, vind ik dat prachtig. In het verleden vroegen ze alleen maar om geld - en dat konden we dan weigeren of niet.”

Tijdens de afgelopen weken heeft Pronk voor Nederland binnen de EG onderhandeld over de financiële paragraaf van Agenda 21, het belangrijkste document van de UNCED waarin de strategie voor "duurzame ontwikkeling' moet worden vastgelegd. De financiële toezeggingen in geld waarop hij had gehoopt zullen op hun best vaag blijven, maar voor de nieuwe financiële instellingen wordt waarschijnlijk wel een vorm gevonden die de door hem nagestreefde “volwassen” relatie tussen rijke en arme landen in principe mogelijk maakt.

Daartoe horen schuldenverlichting, een fonds voor mondiale milieuproblemen (GEF) onder een losser beheer van de Wereldbank waarin arme landen een grote zeggenschap hebben, en een groene rand aan het ontwikkelingsfonds voor de armste landen (IDA) - het zogeheten Earth Window. “We kunnen ze niet weer teleurstellen”, zegt Pronk.

Maar als het nou eens niets wordt met de duurzame ontwikkeling, het intomen van de overbevolking, de vervuiling en de overconsumptie? Pronk: “Als het mis gaat, gaat het geleidelijk. De ergste problemen worden gewoon afgewenteld op lagere bevolkingsgroepen. Daar merk je zelf eerst niets van.”