Vluchtelingen uit Bosnië voelen zich slachtoffer van etnische zuivering; Ondanks de air conditioning stinkt het

SPLIT, 11 JUNI. Verstikkend is de atmosfeer in het grootste sportcomplex van de Kroatische havenstad Split, waar meer dan 900 vluchtelingen uit Bosnië-Herzegovina onderdak vinden, sommigen al anderhalve maand lang. De air conditioning van de sportzalen loeit op volle kracht, maar kan de benauwende stank niet verdrijven, ofschoon de meeste bewoners van het deels door de beschietingen van vorige zomer verwoeste gebouw overdag ergens rondlopen in de stad. Voor de enkele douches en wc's verdringen zich kinderen en oudere mensen. Op de trappen liggen uitwerpselen. De meesten die zich in de sportzalen ophouden, kinderen, vrouwen en oudere mensen, al of niet met dekens op houten plankieren, kijken dof voor zich uit.

"Vluchtelingen' is misschien niet het juiste woord. Allen vertellen hoe zij niet voor oorlogsgeweld op de vlucht zijn geslagen, maar verdreven door gericht en aanhoudend geweld tegen hen. Het geweld in Bosnië-Herzegovina is in hun verhalen geen oorlog tussen gewapende formaties, maar één grote “etnische zuiveringsoperatie” waarbij de hier aanwezige moslims het slachtoffer zijn geworden van Servische vrijwilligersformaties, plaatselijke bandieten en eenheden van het Joegoslavische leger. Zij vormen een deel van de grootste groep onvrijwillige migranten in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog: 1,7 miljoen mensen in heel voormalig Joegoslavië, waarvan 792.000 mensen uit Bosnië-Herzegovina - volgens de laatste schatting van het Hoge commissariaat voor de vluchtelingen. 268.500 Bosniërs bevinden zich in Kroatië, dat daarmee in totaal meer dan een half miljoen vluchtelingen binnen zijn grenzen herbergt.

Zo'n zeventigduizend vluchtelingen zijn in Split, de eerdere vluchtelingenstroom uit delen van Kroatië zelf meegerekend. Die eerste golf heeft deze stad met een permanente bevolking van ongeveer 200.000 mensen nog redelijk kunnen opvangen, met name door de forse hotelcapaciteit van voor de burgeroorlog. De "eigen' vluchtelingen van Kroatië maken een propere en weldoorvoede indruk en veranderen de hal van ieder hotel 's avonds in een soort gemoedelijk dorpsplein. De hotelcapaciteit is echter uitgeput, aldus lokale functionarissen, ter verklaring van de benauwde situatie in de sporthallen.

Of ze hier nu zes weken geleden, of pas gisteren zijn aangekomen, alle vluchtelingen uit Bosnië-Herzegovina vertellen over wanhopige zwerftochten, soms maandenlang, van dorp naar dorp, totdat ook dat weer was gebombardeerd, platgebrand, deels uitgemoord. Het zijn verhalen over groepen van duizenden mensen die wekenlang in bossen hebben geslapen, totdat ze ten slotte ergens op een vrachtwagen zijn gekropen die hen buiten het oorlogsgebied bracht, hier aan een relatief rustig stuk van de Dalmatische kust. Verhalen over vrouwen, die onderweg, bij het beklimmen van bergen, kinderen baarden en daarbij soms het leven lieten. Over haastig vertrek uit het dorp, waarbij soms de tijd ontbrak om geld mee te nemen of schoenen aan te trekken.

Pag.7: Kroatië is gastvrij, het geeft ons tenten en dekens; "Als ik geen kinderen had, dan zou ik naar huis teruggaan'

Soms was er zelfs geen tijd het vee uit de stal te laten. “Vanuit het bos kon ik zien hoe ze de stal met mijn twintig schapen in brand staken”, vertelt een vrouw snikkend. De herinnering aan het vee, of de vraag naar de verblijfplaats van uit het oog verloren vaders, kleinkinderen en echtgenoten vermag nog zichtbare emoties op te wekken. Verder overheerst de glazige blik van de doffe berusting en de diepe vermoeidheid.

De vrouwen uit de buurt van Donji Vakuf bijvoorbeeld, hier twee dagen geleden aangekomen, hebben hun dorp beneden in de vallei zien branden. Met achtduizend mensen uit dertien dorpen zijn ze door bossen en over bergkammen naar Travnik gelopen, vandaar met vrachtwagens verder gereisd. “Maar in de twee maanden daarvoor sliepen we al elke nacht in het bos, bang dat we vermoord of gebombardeerd zouden worden. Drie maanden geleden kwamen de Serviërs met hun kanonnen uit Banja Luka en groeven zich in op de heuvels. We hebben ze laten begaan; als we niets doen, dachten we, dan gaan ze misschien wel weer weg. Wapens hadden we niet.” Maar ten slotte landden toch de granaten op de dorpen, “één op elke vierkante meter”. Aan de rand van het dorp verschenen mannen in een pantserwagen, ze vermoordden vijf mensen en begonnen de huizen in brand te steken.

Het was tijd om te gaan. Na een reis van vier weken ongeveer zijn ze hier aangekomen, een dak boven het hoofd en twee maaltijden per dag. “De mensen met geld onder ons hebben beter onderkomen gevonden”, vertelt een oudere man. “De kinderen zijn ziek, door de klimaatverandering, het is hier heel anders dan in de bergen. We hebben lang geloofd in de buitenlandse interventie, waarover ze op de radio spraken. Nu kan me dat niet meer schelen. Alles wat ik had is verbrand en ik kan niet terug. Ik ben een slaaf geworden.”

“Als ik geen kinderen had zou ik teruggaan”, vertelt de jonge vrouw uit het dorp Sensovac bij Sarajevo. Op een dag vielen er granaten op het dorp en dat bleef drie dagen zo. Het was bedoeld als straf, omdat de inwoners een schriftelijke "uitwijzing', verstrekt door de Servische militie die het plaatsje beheerste, hadden genegeerd. Na de granaten kwamen er twee vliegtuigen die een bombardement uitvoerden, vertelt de vrouw. Zij behoorde tot een groep die naar de plaatselijke kazerne van het Joegoslavische leger vluchtte, en daar prompt tien dagen in gijzeling werd genomen, totdat de mannen van het dorp, die met hun geweren de heuvels waren ingevlucht, zich zouden hebben overgegeven. “Later lieten ze ons vrij, onderdeel van een uitwisseling van gevangenen, zeiden ze.”

Ook de vrouwen en kinderen van Sensovac gingen op pad, in totaal zo'n drieduizend mensen. Via omwegen kwamen ze in Kiseljak, waar ze autobussen vonden die hen via allerlei bergwegen naar de kust konden brengen. Maar eerst hadden degenen die geld bij zich hadden zich nog laten oplichten door een meneer die beweerde tegen vooruitbetaling een goed onderkomen in Split te kunnen organiseren.

“We kunnen niets voor ze doen, dat is erg”, vindt een werkloze Kroatische onderwijzeres die in de receptie van het zwemcomplex als vrijwilliger werkt. “Het was hier eigenlijk bedoeld als doorgangsfaciliteit, voor een of twee dagen. Maar velen willen niet verder door naar het noorden, als dat al zou kunnen. Hier in Split zijn ze dichtbij Bosnië. Dat geeft ze hoop op een mogelijke terugkeer. Bovendien komen er elke dag nieuwe vluchtelingen aan, en degenen die al hier zijn hopen van hen berichten over verloren familieleden te krijgen.” Er moeten, zonodig door buitenlandse troepen, "humanitaire corridors' in Bosnië komen, menen de vrijwilligers, zodat de hulp daar naartoe kan en de mensen niet meer hoeven te vluchten. Tegelijkertijd vrezen zij de doorbreking van de blokkade rondom Sarajevo, wegens het schrikbeeld van 200.000 mensen of meer die dan misschien tegelijkertijd op weg zullen gaan.

Omdat epidemieën dreigden is de basketbalzaal naast het zwembad ontruimd, in afwachting van grondige ontsmetting. De bewoners zijn per schip naar het noorden gezonden, anderen in de eerste tentenkampen van Split ondergebracht.

In Stobrec, vlakbij Split, staan 150 van die tenten op een verlaten camping, van Engelse makelij en geschonken door Arabische landen aan de Bosnische hulporganisatie Merhamet. Eten doen de honderden vluchtelingen in een naburig restaurant, maar verder is er van enige hulp van buiten het kamp weinig bespeurbaar. Daar staat tegenover dat de vluchtelingen zichzelf georganiseerd hebben.

“Ik wilde hier meteen naartoe, nadat ik het sportcomplex gezien had”, vertelt de gepensioneerde gemeenteambtenaar uit de zwaar verwoeste stad Foca, die hier als een soort dorpsoudste lijkt te fungeren. “Zonder frisse lucht kan een mens niet leven.” Hij houdt ook het register van het kamp bij, maar verder valt er niet zo heel veel te organiseren. Want de camping is van de meest eenvoudige soort: slechts een paar wc's, geen warm water, geen elektriciteit. De tenten hebben geen grondzeil. De eerstaangekomenen hebben wat vloerbedekking van de plaatselijke vuilnisbelt op de kop getikt, de anderen doen het zonder. Sommige tenten zijn voorzien van bedden.

Vooral de afwezigheid van warm water en wasmiddelen is een ernstig probleem, aldus de kampbewoners. Hun enige bron van informatie over de toestand in Bosnië zijn twee kleine transistorradiootjes, waarvan de batterijen nu langzaam op hun eind lopen. De volwassenen hier maken een aanzienlijk gezondere indruk dan die in het sportcomplex, maar de kinderen, sommigen baby's nog, maken een opvallend matte indruk. “Het klimaatverschil”, verklaart de "dorpsoudste', “veel vrouwen klagen ook over hoofdpijn.” Een dokter hebben ze hier nog niet gezien, vertelt hij. “Maar we mogen niet klagen: Kroatië verschaft ons hier gastvrijheid, en we hebben tenten en dekens.”

Opnieuw komen de verhalen los over zwerftochten van dorp tot dorp, totdat ten slotte de hele streek door Servische formaties was ingenomen of platgebrand. En over Serviërs in Foca, die hun moslim-buren gewaarschuwd hebben: “Gisteravond kreeg ik mannen op bezoek die een wapen brachten en zeiden dat ik je moest vermoorden. Je moet gauw vluchten”. Sinds de beruchte slachting van ongeveer 10.000 moslims in 1941 door het Servische royalistische leger, hebben in Foca moslims en Serviërs enkele tientallen jaren in vrede samengeleefd. Daaraan is nu een einde gekomen. “Milosevic heeft hun geest vergiftigd”, zegt een gepensioneerde gemeenteambtenaar. “Zegt u maar tegen de wereld dat we oprecht hebben geprobeerd om een democratie te worden, om een deel van Europa te worden. Maar we zijn achter onze rug verraden.”