Tijgers kijken

Van de tien ondersoorten van de tijger zijn de meeste geheel of bijna verdwenen. Alleen in India lopen nog enkele duizenden wilde tijgers rond. De bescherming is vooral een nationale zaak, Westerse hulp heeft men niet nodig.

Bij een bocht in het zandpad staat de jeep ineens stil. Krishna Chandra Joshi buigt zich in het stof. ""Pootafdrukken,'' mompelt de Indiase bioloog, ""grote verse pootafdrukken. Hier is zo'n twee uur geleden een mannetjestijger langsgekomen!''

In het zand staat een hielafdruk met vier zachte ronde tenen. We houden onze adem in, controleren ijlings de telelenzen en prevelen alvast een schietgebedje. De Kitekat Tijger Expeditie nadert zijn hoogtepunt.

Het spoor loopt een eindje over het zandpad en verdwijnt dan in het hoge riet, waar de herten nu in alle rust staan te herkauwen. Apenfamilies spelen tikkertje tussen de takken, het meer glanst in vage nevels in de ochtendzon. Een grote dikke krokodil laat zich kwiek in het water zakken en speelt voor boomstam tussen de eendjes, een eindje verderop draaft een borstelig zwart varken met een rijtje van die leuke gestreepte biggetjes achter zich aan langs een oever vol waterlelies. Het is net of je in een natuurfilm van de BBC zit, zo eentje waar ze drie jaar aan hebben gewerkt. Alleen de tijger houdt zich koest.

Toch telt Ranthambore, het voormalige jachtreservaat van de maharadja's van Jaipur, er volgens de statistieken 45. Misschien zijn dat deels papieren tijgers omdat daar onderhand een heel subsidiecircus omheen is gegroeid, maar het zijn er in elk geval veel meer dan de veertien die hier zaten toen Ranthambore twintig jaar geleden de status van Nationaal Park verwierf. Naast de tijger leven hier ondermeer het luipaard en de lippenbeer, die de reputatie heeft zeer schuw te zijn en vooral 's nachts actief is. Bioloog Joshi werkt hier nu drie jaar en komt vaak in het park, maar heeft er nog nooit een gezien, ook al moeten er volgens de tellingen zo'n zestig zijn.

Ranthambore maakt onderdeel uit van Project Tiger, een netwerk van achttien tijgerreservaten die de Indian Board of Wildlife, het Indiase ministerie van Milieubeheer, de afgelopen twintig jaar verworven heeft om het gestreepte roofdier, dat rond 1970 op uitsterven stond, als nationaal cultuurbezit voor India te behouden. Het park ligt zo'n 300 kilometer ten zuidwesten van Delhi. Dat wil zeggen, als je om half zes 's ochtends uit Delhi vertrekt en de hele dag doorrijdt, in een onafzienbare file van bontbeschilderde antieke vrachtwagens, kamelenkarretjes, fietsers en kuddes geiten die elkaar in woeste slalomacties proberen te ontwijken, dan kom je met een beetje geluk nog net voor de duisternis invalt in Ranthambore.

Onderweg wordt het landschap almaar droger en armoediger. Het woestijnachtige Rajasthan behoort tot de armste deelstaten van India. Sinds het stenen tijdperk is hier zo op het eerste gezicht geen noemenswaardige vooruitgang geboekt. Langs de kant van de weg lijken de vrouwen weinig meer te bezitten dan de rode aarden waterkruiken waarmee ze lopen te zeulen in de zon. ""Famine looms large over Rajasthan'', kopt the Statesman diezelfde dag. Volgens het bericht zijn al 21.600 dorpen in de deelstaat als schaarstegebied aangewezen. Er wordt nu haast gemaakt met nooit voltooide plannen uit eerdere hongersnoden om elk dorp tenminste van een waterbron te voorzien. Na het uitblijven van de moesson kwam de droge tijd dit jaar harder aan dan ooit en hoewel er al sinds februari voedselhulp wordt aangevoerd, lijken de voorraden nu nagenoeg uitgeput. Tegen deze achtergrond houden de autoriteiten hier blijkbaar toch nog tijd en energie over om er tijgerreservaten op na te houden.

Ploegje gieren

Ranthambore omvat 870 vierkante kilometer, waarvan 160 kilometer "kerngebied'. Dammen houden hier het water dat uit natuurlijke bronnen opwelt vast in drie grote meren, waar de dieren in de hete middagzon verkoeling zoeken. Herten waden door het ondiepe water en slobberen het watergras temidden van grote groepen ooievaars, lepelaars, reigers en andere fraaie vogels. Een eindje verderop zit een heel ploegje gieren gezellig bijeen. Het lijken net kalkoenen met die dikke kale nekken, vanuit de open jeep zou je ze zo kunnen aaien. Een glimp van het verloren paradijs.

Als je dan weer buiten de poort staat valt de werkelijkheid des te rauwer op je dak. De wind schroeit je hoofd alsof je te lang bij de kapper onder de droogkap zit en het landschap is één dorre woestenij, waarin geiten de laatste groene sprietjes grijpen. Ze vreten het landschap volledig kaal en in het kaalgevreten landschap houdt geen ander beest het uit dan juist diezelfde geit. Bij nader inzien betreft het hier de bufferzone die officieel nog bij het natuurpark hoort en daarvan zelfs 80 procent uitmaakt. Het ziet er nu extra troosteloos uit omdat de overheersende boomsoort, de dhok, in het droge seizoen al zijn blad verliest en er alleen zo hier en daar op een toevallig vochtig plekje nog frisgroen bij staat.

Enorme scheuren in het landschap tonen aan welke verwoesting op de kale bodem wordt aangericht door de zware slagregens in juli, augustus en een deel van september. Hele brokken grond worden meegesleurd. In totaal valt in deze streek een aanzienlijke hoeveelheid regen, zo'n 500 tot 900 millimeter per jaar. Bij een zorgvuldig beheer kan zich daar omheen, zo blijkt in het hart van het park, een rijk ecosysteem ontwikkelen. Daar lopen duizenden herbivoren rond: sambarherten, spotted deer (dat zijn de enige herten die grappig genoeg niet alleen in hun jeugd, maar ook als volwassen dier gespikkeld blijven), de nijlghau, India's grootste antiloop, die ook wel blue bull wordt genoemd wegens zijn blauwige glans, naast de kleinere chinkara's en wilde zwijnen.

Al deze planteneters leven in de droge tijd van het afgevallen blad van de dhok en van wilde ber vruchten en op hun beurt worden zij door tijgers en luipaarden gegeten. Een tijger eet gemiddeld zo'n 50 kilo vlees oftewel één hert per week en heeft een territorium van minimaal 20 vierkante kilometer nodig, tot vele honderden kilometers in een minder wildrijk gebied. Tijgers beheersen het hart van het park en luipaarden de periferie.

Vier jaar geleden nog werd hier een kind gedood toen zo'n duizend mensen zich in augustus bij het oude fort middenin het park verzameld hadden voor een religieus festival. ""Het was een ongeluk'', zegt bioloog Joshi, ''de tijger moet in paniek geraakt zijn. Hij greep het kind en doodde het. Hij heeft er niet van gegeten.''

Een ander ernstig ongeluk gebeurde enkele maanden geleden toen een van de beste spoorzoekers van zijn dienst vlak bij het boswachtershuis, waar hij al uit zijn jeep was gestapt, op klaarlichte dag ineens oog in oog stond met een lippenberin. Zij had twee jongen bij zich en viel hem aan. De man vocht bijna een kwartier met de berin en werd half gescalpeerd en levensgevaarlijk gewond afgevoerd.

Gistermorgen nog

Intussen verzekert iedereen die we ontmoeten ons steevast dat hij net een tijger heeft gezien of op het punt staat er een te zien. ""Gistermorgen nog, hier beneden op het strandje, lagen ze te paren'', zegt de chauffeur van de jeep desgevraagd met een stalen gezicht, ""en gisteravond ook weer.'' ""Deze man heeft net een tijger gezien'', zegt een andere chauffeur na een gesprekje met een parkmedewerker die ons pad kruist, een magere man op blote voeten, gewapend met een grote stok om pythons en cobra's te weren. ""De tijger nam een bad en dronk water!'' Hij grijnst breed. ""Ach, er zijn dit jaar helemaal niet veel tijgers in Ranthambore'', horen we later op de dag op de markt in het naburige stadje van een jongen met een goudgerande zonnebril die de westerlingen heeft aangeschoten om een Engels kletspraatje te maken. ""Ze zijn doodgegaan, door stropers meegenomen of weggetrokken uit het park, in elk geval zijn er niet veel meer over.''

""Je hebt erg veel geduld nodig om een tijger te zien en je moet daarvoor vaak het park ingaan'', zegt Joshi filosofisch. ""Ik heb je verse sporen van een tijger getoond, ik heb je de aanwezigheid van de tijger laten voelen. En je mag aannemen dat de tijgers jou intussen wèl hebben gezien.'' Dat is na tienduizend kilometer vliegen toch een mooie gedachte.

Bevolkingsexplosie

Vanouds voelt Felix tigris ssp bengalensis zich thuis van de besneeuwde berghellingen van de Himalaya tot in de zompige moerassen van de Sunderbans in Bengalen, van de verschroeide woestijn van Rajasthan tot aan de weelderige tropische regenwouden in het zuiden van India. In 1900 leefden in dit land nog 40.000 Bengaalse tijgers, bij de eerste nationale telling in 1970 waren er nog welgeteld 1827 over. Blijkbaar was de koning van de wildernis op sterven na dood.

Belangrijkste oorzaak is, uiteraard, de bevolkingsexplosie. Pas in de loop van deze eeuw is de gigantische bevolkingsgroei, van 100 naar 880 miljoen zielen, op gang gekomen. Naar verwachting zal India in 2020 1,25 miljard mensen tellen, een zesde van de wereldbevolking. Rond de eeuwwisseling was nog 40 procent van India bebost, nu nog 15 procent. Een vijfde van de bossen, drie procent van het hele land, is natuurreservaat. De overige 97 procent is door mensen in bezit genomen.

Traditioneel had India een rijke fauna. Miljoenen jaren lang vormde het huidige schiereiland een wereld op zich waar zich unieke plant- en diersoorten ontwikkelden. Pas later is deze aardschol tegen het Aziatisch continent "opgebotst' waarbij de Himalaya is ontstaan en waarna ook Aziatische soorten hun weg naar India vonden.

Tot vrij onlangs was al die rijkdom nog intact. In de dagen van de Maharadja's was de jacht voorbehouden aan een kleine elite en aan strikte regels gebonden. Pas na de onafhankelijkheid in 1947, toen de oude feodale rechten vervielen, nam de commerciële jacht een grote omvang en breidde het vuurwapenbezit zich sterk uit. De bevolking trok massaal de bossen in om er al dan niet legaal te jagen en vee te weiden, hout te hakken en land te ontginnen. Iedere controle ontbrak. Tijgers zagen in hun krimpend leefgebied hun wilde prooidieren steeds schaarser worden, stortten zich in plaats daarvan op de veestapel en werden vervolgens massaal vergiftigd door de dorpelingen.

Rond 1970 was de wildstand op een dieptepunt beland en drong in regeringskringen het besef door dat het hoog tijd werd om te redden wat er nog te redden viel. In 1972 werd de Wildlife Protection Act van kracht, waaronder alle grote wilde dieren bescherming genieten. Een jaar later hield premier Indira Gandhi Project Tiger ten doop.

Op papier werden om te beginnen negen tijgerreservaten aangewezen, waaronder een aantal vroegere jachtreservaten: dunbevolkt, maar zeker niet onbewoond. Hele volksstammen moesten ophoepelen om plaats te maken voor de gestreepte heer. Sindsdien is de tijgerstand volgens officiële cijfers bijna verdubbeld tot 4334 dieren, waarvan ruim een derde in Project Tiger reservaten. Dat zijn er nu achttien, in dertien deelstaten, met een gezamenlijk oppervlak van 28.000 vierkante kilometer. Daarvan is 13.000 kilometer volledig beschermd "kerngebied', omringd door bufferzones waarin de lokale bevolking hout mag sprokkelen en vee mag weiden. De reservaten omvatten zoveel mogelijk verschillende ecologische zones, maar het spectrum is nog niet compleet.

Rustig slapen

Tijgers grijnzen je tegemoet op posters, stickers en T-shirts. De symboliek heeft zijn wortels in de Hindoereligie, die in dit land nog alom tegenwoordig is en waarin de tijger, evenals de olifant een voorname rol speelt. Durga, de godin van de macht, rijdt op een tijger. In de eetzaal van de maharadjah troonden tijgertrofeeën op de ereplaatsen en ook de moderne veldbioloog beschouwt een glimp van de grote kat als de kroon op het werk.

De "Koning van het dierenrijk' staat aan de top van zijn voedselpiramide. Komt in een natuurreservaat deze grote rover voor, dan is dat het bewijs van een gezond ecosysteem. Met de tijger als symbool wordt een heel leefgebied beschermd en daar profiteren ook minder spectaculaire planten en dieren van.

""Zou U rustig kunnen slapen als op twee kilometer afstand van uw huis een potentieel dodelijk roofdier rondliep?'' vraagt Arin Ghosh (40), directeur van Project Tiger in New Delhi opgewekt. ""U zou geen oog dicht doen! Onze bevolking heeft daar al eeuwen mee leren leven, voor India is de tijger een nationaal symbool. Mensen willen niet dat de tijgers definitief worden uitgeroeid, ze willen alleen adequate bescherming voor zichzelf en voor hun vee.''

Ghosh studeerde natuurkunde, belandde in het bankiersvak, baalde daarvan en meldde zich bij de bosbouwdienst van de Sunderbans in zijn geboortestreek Bengalen. Sinds een klein jaar resideert hij als directeur van het Tijger Project in Delhi, in een witgekalkte barak in de achtertuin van wat ooit een paleis geweest moet zijn, temidden van kasten vol stoffige vergeelde hangmappen uit koloniale tijden. Buiten slaat de hitte je tegemoet alsof je een ovendeurtje opendoet, een temperatuur van 45 graden in de schaduw is ook voor lokale begrippen lang niet koud. Maar boven Ghosh' hoofd loeit een ventilator en hijzelf blaakt zo te zien van energie.

""Na een startsubside van een miljoen pond sterling van het Wereld Natuur Fonds om mensen te trainen en uit te rusten heeft India het projekt verder geheel op eigen kracht gerund,'' verzekert directeur Ghosh. ""Ons projekt is een van de grootste succesverhalen uit de natuurbescherming, uniek voor een ontwikkelingsland en een voorbeeld voor de rest van de wereld.''

Probleemtijgers

Van nature zijn tijgers bang voor mensen. Hun prooien zijn vrijwel altijd viervoeters. Mensen worden slechts bij uitzondering aangevallen en dan nog meestal wanneer ze gebukt op het veld staan en dus op viervoeters lijken.

Toch doden tijgers in India elk jaar zo'n 50 mensen plus het nodige vee. ""Ook de dood van zo'n koe komt hard aan vanwege de religieuze gevoelens van de bevolking voor deze dieren'', legt Ghosh uit. ""Het beleid is wel om probleemtijgers over te plaatsen naar zo dun mogelijk bevolkte gebieden, maar je kunt die grote parken nooit helemaal hermetisch afsluiten. Onze belangrijkste les is geweest dat natuurbehoud alleen haalbaar is als de mensen in de dorpen rondom een reservaat ervan overtuigd raken dat zijzelf ook belang hebben bij het voortbestaan van zo'n reservaat.''

Daarom is Project Tiger begonnen met het verlenen van medische en veterinaire zorg in de omringende dorpen. Ook worden plattelandsontwikkelingsprojecten opgezet om de bevolking aan brandhout en veevoer te helpen in de hoop dat men dan niet meer illegaal het reservaat intrekt.

""Ons grootste probleem is een vijandige bevolking'', zegt Bris Jal Meena, directeur van tijgerreservaat Ranthambore. ""Deze omgeving is zeer dicht bevolkt en vanouds hadden de dorpelingen het recht om brandhout en veevoer uit het park te halen. Ook zochten ze er wilde vruchten om te helpen de droge tijd - die echt erg karig is - te overleven. Die rechten hebben wij ze afgenomen. Dus trekken ze voortdurend het park in, ook al riskeren ze daarmee voor zes maanden te worden opgesloten als we ze pakken. Verder stichten ze voortdurend brandjes in het park, gewoon om ons te provoceren.''

Om het beeld dat de overheid meer om tijgers dan om mensen geeft wat bij te schaven is twee jaar geleden een eco-development programma opgezet. We bezoeken het bewuste dorp in gezelschap van directeur Meena. Dertig dorpelingen, uitsluitend mannen, merendeels blootsvoets, zitten deemoedig op de grond te wachten, de blanke gasten nemen plaats op twee bedden van gevlochten touw en krijgen glaasjes buffelmelk geserveerd. Een heel offer als je bedenkt dat vier van de zes buffels hier droog staan terwijl de overige een tot hooguit drie liter melk per dag geven. Maar we drinken het niet eens want anders worden we ziek.

""Hoe denkt de bevolking over het projekt'', luidt de eerste vraag op de gemproviseerde persconferentie. Een oude man steekt een lang verhaal af, door Meena samengevat met ""They like Tiger Project very much. Next question.''

Een klein jongetje met keurig gekamde haren waagt zich onderaan de trap en wordt door een ouder broertje dodelijk verschrikt weggesleurd, maar al gauw staan er veertig van die ventjes toe te kijken hoe zich boven op het terras een geanimeerde discussie tussen de dorpelingen en Meena ontspint, waarbij veel gelachen wordt. We begrijpen dat er een levendige ruilhandel is ontstaan waarbij de wilde dieren uit het park 's nachts de velden van de dorpelingen plunderen, terwijl zij op hun beurt hun vee steeds binnen de parkgrenzen laten grazen. Bij de akkers rond het dorp moet iedere nacht worden gewaakt. Maar het aantal mensen dat ooit een tijger in levende lijve heeft aanschouwd blijkt op de vingers van een hand te tellen.

Om de omgeving produktiever te maken zijn irrigatiesloten aangelegd en wordt een Mexicaanse struik aangeplant, Prosopis juliflora, bijgenaamd de exotische Acacia. Die staat er, mede dankzij tien meter diepe wortels, nu nog frisgroen bij, groeit harder naarmate hij meer wordt gesnoeid en leent zich zelfs groen geoogst al uitstekend als brandhout. Nadeel is wel dat deze soort zich via zaad zeer goed verspreidt en de rest van het bos er binnen de kortste keren uitconcurreert. Op minder arme gronden wordt hij dan ook bestreden zoals bij ons de vogelpest.

Inteelt

Ondanks alle goede bedoelingen is de toekomst van de Bengaalse tijger nog steeds niet veilig. Plannen om de reservaten onderling door "groene linten' te verbinden zijn op de tekentafel blijven steken en op den duur dreigt voor deze gesoleerde tijgerpopulaties het gevaar van inteelt dan ook levensgroot.

Overwogen wordt om tijgers tussen de parken uit te wisselen. Daar zitten echter veel haken en ogen aan, gezien de woeste manier waarop elke tijger zijn eigen territorium tegen indringers pleegt te verdedigen. Een mensenetende probleemtijger die door parkautoriteiten vanuit Bengalen naar een ander, minder dicht bevolkt gebied was verplaatst werd daar binnen een week door soortgenoten aan flarden gescheurd. Een nieuwe, en dus sociaal zwakke tijger, loopt het minste gevaar als hij aan de rand van het leefgebied van de soortgenoten een plekje verovert. Een beheerder die een tijger verhuist moet daarom een goed inzicht hebben in het onderlinge krachtenspel.

Bovendien moet het dier zich in het nieuwe gebied kunnen aanpassen. Hoewel nooit genetische verschillen tussen de tijgers op dit uitgestrekte schiereiland zijn aangetoond, lopen de leefomstandigheden sterk uiteen, van woestijn tot regenwoud. Een tijger wordt enkele jaren door zijn moeder opgevoed om goed te leren jagen. Gaat hij daarna verhuizen, dan valt dat niet mee.

Dr. L.E.M. de Boer, directeur van de Stichting Onderzoek Dierentuinen en initiatiefnemer van de actie Save the Tiger, waarin de samenwerkende dierentuinen op dit moment samen met de Nederlandse kattevoerfabrikant Kitekat campagne voeren, maakt zich grote zorgen over de dreigende inteeltproblematiek en vindt dat de Indiase autoriteiten die onvoldoende onderkennen.

Het liefst zou De Boer de wilde Indiase tijgers volgens computergestuurde kruisingsschema's kunstmatig insemineren met sperma uit westerse dierentuinen om daarmee vers bloed in de wilde populaties te brengen. Voor de door kritiek veelgeplaagde dierentuinen zou dat een schitterende PR-stunt zijn, maar de Indiërs willen er niets van horen. Zij geloven in het krachtenspel der vrije natuur. De Boer noemt dat ""ouderwets en zeer dogmatisch.''

Na twintig jaar hun eigen tijgerboontjes te hebben gedopt zitten de Indiërs echter niet op Westerse bemoeienis te wachten en aanvankelijk was er zelfs geen animo om onze expeditie te ontvangen. ""Ik ben niet genteresseerd in financiële hulp uit Denemarken'', zei directeur Ghosh ronduit tegen een verbouwereerde De Boer.

""Het blijft schipperen'', zegt Joshi om vervolgens te vertellen over de gewonde tijgerin die hij vorige zomer in het park aantrof. Waarschijnlijk had zij in haar sprong een scherpe tak geraakt. Normaal geneest zo'n wond, maar deze plek zat precies boven haar staart op een plaats waar ze zich niet kon likken. Het gevolg was een lelijke infectie, waardoor ze niet goed meer kon jagen. Haar drie volgroeide jongen, die nog niet zelfstandig hadden leren jagen, bleven uit haar buurt.

""We hebben er lang over gepraat binnen de dienst,'' zegt Joshi. ""Het zou een koud kunstje zijn om haar met een verdovingspistool neer te schieten en medische zorg te verlenen, maar dat ging ons te ver. Als ze zich niet kon redden in de natuur moest ze maar verdwijnen! Aan de andere kant zouden dan ook de drie grote jongen verhongeren. Na rijp beraad besloten we één kalf mee naar het park te nemen. In een fractie van een seconde lieten we het los vanuit de jeep, de tijgerin greep het en doodde het kalf. Alle drie de jongen kwamen tevoorschijn om ervan te eten.''

""En daarna,'' zegt Joshi, glimlachend bij de herinnering, ""begon een van de jongen de wond van zijn moeder te likken en de tijgerin genas.''

Foto's: Een Indiase tijger rustend na de maaltijd. Tijgers jagen bij voorkeur 's nachts, overdag rusten ze. Als er weinig prooi is, wordt er ook overdag gejaagd.

Het hoogtepunt van de excursie: verse pootafdrukken. "Nu heb je de nabijheid van de tijger kunnen voelen. En reken er maar op: de tijger heeft jullie wèl gezien.'

Van de acht oorspronkelijke ondersoorten van de tijger hebben alleen de Bengaalse en de Achterindische tijger nog toekomstkansen in het wild. De Balinese tijger is definitief uitgestorven, terwijl de Javaanse, Chinese en Kaspische ondersoorten ten dode opgeschreven zijn. Van de Siberische en de Sumatraanse tijger leven in dierentuinen en in het wild nog enkele kleine groepjes.

Belangrijkste oorzaken van het verdwijnen van de tijger zijn het verlies van leefgebieden, mede door de ontbossing, en de jacht, die samenhangt met de sterke bevolkingsgroei. In delen van Azië denkt de bevolking grote kracht te putten uit het eten van tijgervlees, terwijl in China botten en bloed van de tijger als geneeskrachtig gelden.

De Stichting Nationaal Onderzoek Dierentuinen werkt samen met een Nederlandse diervoederfabrikant in de actie Save the Tiger. De opbrengst is ondermeer bestemd voor het opzetten van een databank waarin alle dierentuinentijgers worden ondergebracht. Hiermee hopen de dierentuinen hun fokbeleid beter te coördineren.

Ook dient de actie ter ondersteuning van een internationaal tijgercongres dat volgende maand in Edinburgh wordt gehouden. Als er dan nog geld overblijft wil men ook kleine projekten in Derde-wereldlanden ondersteunen.

Krishna Chandra Joshi, research officer van het Ranthambore National Park