Tijdelijke kunstlong voor baby's op de halsslagader

De behandeling van pasgeborenen met ademhalingsmoeilijkheden kent in Nederland sinds ongeveer een jaar een nieuwe therapie: de extra-corporele membraneuze oxygenatie (ECMO). Kinderen, die door een long- of hartaandoening onvoldoende zuurstof in het bloed kunnen opnemen, krijgen met behulp van ECMO, een soort kunstlong, tijdelijk extra zuurstof toegediend.

In theorie is ECMO een eenvoudige techniek. Bloed wordt afgetapt uit de halsader (vena jugularis) van het kind en buiten het lichaam van zuurstof voorzien in een kunstlong,een siliconenmembraan waar zuurstof en bloed in nauw contact met elkaar komen.

Na passage door een warmtewisselaar wordt het bloed via de slagader van de hals (arteria carotis) in de grote lichaamsslagader (aorta) teruggepompt. Aanvankelijk wordt meestal ongeveer 80% van de bloedstroom door ECMO overgenomen. Naarmate de long- of hartfunctie van het kind verbeterd, daalt dat percentage.

In de praktijk is de behandeling van het kind zeer intensief. Een speciaal opgeleide verpleegkundige let continu op het kind. Afhankelijk van het centrum waar de behandeling plaatsvindt, maken een (kinder-) hartchirurg, neonatoloog, neuroloog, anaesthesist, perfusionist (specialist op het gebied van hart-long machines) en vaatchirurg, deel uit van het behandelend team. Gemiddeld liggen de kinderen vijf à zes dagen aan het apparaat, wat kan oplopen tot drie weken. Gedurende deze hele periode worden de pasgeborenen beademd. Ook ondergaan ze een behandeling met een medicijn tegen dat bloedstolling voorkomt, met het bijbehorend risico op bloedingen.

Aan het eind van de behandeling worden de gebruikte halsslagader en -ader afgebonden. Deze vaten zijn dan niet meer voor bloed doorgankelijk. De hersenen krijgen hun bloed daarna alleen nog via de ene overgebleven halsslagader en de slagaders van het ruggemerg. Technieken om ECMO te geven waarbij men de zo belangrijke slagader spaart, worden in Nederland nog niet toegepast.

Meconium-aspiratie

Voor deze ingrijpende therapie komt een kleine groep kinderen in aanmerking. De meest voorkomende indicaties zijn meconium-aspiratie (inademen van vruchtwater met foetale ontlasting), verhoogde bloeddruk in de longvaten, congenitale hernia diafragmatica (aangeboren gat in het middenrif) en hartspierfalen. Soms worden ook pasgeborenen behandeld in de periode rond een hartoperatie. De kinderen moeten tenminste twee kilo wegen en 34 weken oud zijn (na conceptie). Prematuren (te vroeg geborenen), die veel lichter en jonger zijn, komen niet in aanmerking voor ECMO. Chronische longafwijkingen kunnen niet met ECMO worden behandeld.

Over de gevolgen van de behandeling op langere termijn is nog niet veel bekend. Uit een Amerikaanse studie, waarbij 42 ECMO-kinderen op de leeftijd van vijf jaar zijn onderzocht, blijkt uit voorlopige resultaten dat 55 procent van de kinderen na vijf jaar een normaal leven te leiden. Dertig procent vertoont geringe afwijkingen, in de vorm van een licht vertraagde ontwikkeling. De resterende vijftien procent met ernstiger afwijkingen heeft naast ontwikkelingsvertraging last van spierzwakte en, in enkele gevallen, schade aan zintuigen als gehoor en ogen.

Kostbare ingreep

De techniek is halverwege de jaren zeventig in de VS ontwikkeld. Sindsdien zijn er in de VS ongeveer 6500 kinderen met deze techniek behandeld. In Nederland (Nijmegen, Rotterdam en Maastricht) zijn tot nu toe ongeveer 25 ECMO behandelingen uitgevoerd. Het is een kostbare ingreep voor een relatief kleine groep kinderen, reden voor de Ziekenfondsraad om in een proefperiode van drie jaar te bekijken of ECMO in Nederland voldoende bestaansrecht heeft.

Nederland heeft drie centra (Nijmegen, Rotterdam, Maastricht) waar ECMO wordt toegepast. Daarmee loopt het voorop, want Duitsland, Frankrijk en Scandinavië hebben ieder twee ECMO-centra en Engeland één. Het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM) is in oktober '91 begonnen met de behandelingen. Maastricht betaalt dit uit eigen middelen, Rotterdam (Sophia Kinderziekenhuis) en Nijmegen (St. Radboud Ziekenhuis) ontvangen elk een subsidie van de Ziekenfondsraad van ongeveer twee miljoen gulden. Alle drie de centra rekenen op 15 tot 20 ECMO-behandelingen per jaar.

De Nijmeegse kinderarts dr. W.B. Geven verwacht dat in Nederland jaarlijks uiteindelijk tussen de vijftig en honderd pasgeborenen voor een ECMO-behandeling in aanmerking komen. ""Het blijven kleine aantallen. De behandeling is erg kostbaar en kent een hoog risico. De meest gevreesde complicatie is een hersenbloeding, omdat die door de antistolling zo moeilijk te behandelen is.''

De Maastrichtse hoogleraar neonatologie, prof. dr. C.E. Blanco, vindt dat de ECMO-behandeling duidelijk bestaansrecht heeft op zijn afdeling. Hij heeft in samenwerking met betrokken specialisten van het Academisch Ziekenhuis Maastricht zelfstandig een ECMO-behandeling opgezet. Ook de naburige delen van Duitsland en België rekent Blanco tot zijn markt. Blanco: ""ECMO is een vorm van intensive-care geneeskunde voor pasgeborenen. De kinderen die in aanmerking komen hebben een sterftekans van 80%. Na behandeling daalt die kans naar 10%.''