Sculpturen van Lesák in Van Gogh; Monets hooiberg opnieuw belicht

Tentoonstelling: Morgen-Mittag-Abend Frantisek Lesák, t/m 28 juni in het Rijksmuseum Vincent van Gogh, Amsterdam. Ma. t/m za. 10-17u, zo. en feestdagen 13-17u. Catalogus ƒ 20, Van Gogh Bulletin 1992/2 ƒ 5.

“Ik schilder slechts wat ik zie”, beweerde Claude Monet. Ruim honderd jaar later vroeg Frantisek Lesák (Praag, 1943) zich af wat Monet eigenlijk zag. Hij kwam tot de conclusie dat Monet slechts zag wat hij kende of beter nog: hij zag wat hij wilde zien, dat wil zeggen wat hij wilde schilderen.

Lesák reconstrueerde Monets werkwijze en analyseerde tegelijkertijd wat hijzelf zag. Zo kwam hij tot een reeks kunstwerken, die hetzelfde onderwerp had als Monet meerdere malen had vastgelegd in de zomermaanden van 1884, 1885 en 1886: een hooiberg.

Op de begane grond in het Van Goghmuseum staan, wat vorm betreft, drie identieke manshoge sculpturen waarin het op het eerste gezicht overduidelijk om de kleurverschillen gaat. Ze zijn beschilderd in verschillende gradaties groen en geel: grasgroen, blauwgroen, warm okergeel, koel citroengeel. Elke hooiberg stelt een ander moment van de dag voor: de morgen, middag en avond. Morgen-Mittag-Abend is dan ook de titel van zijn tentoonstelling.

Het idee om een beeldhouwwerk van een hooiberg te maken, ofwel van een berg lijntjes, is op zich al een vondst. Een kapsel van drogend gras in een slappe, futloze maar toch doelmatige vorm. Eigenlijk doet de precieze kleur van hooi er dan niet eens zo veel toe.

Lesák bestudeerde hooibergen in de omgeving van Giverny, waar Monet woonde. Hij realiseerde zich dat het alleen al door andere weersomstandigheden van honderd jaar geleden, onmogelijk was met de ogen van Monet te kijken. Toch deed hij verschillende ontdekkingen. Zo schilderde Monet niet wat hij zag, maar bracht hij slechts een selectie van hetgeen hij zag over op doek. Ook kwam Lesák erachter dat Monet het in het doek "Hooiberg, avondstemming' niet zo nauw nam met de natuurwetten. Hij manipuleerde licht en schaduw om zo tot een beter artistiek resultaat te komen.

Om als beeldhouwer zijn visie te kunnen geven op de vorm van een hooiberg en het onderwerp zich eigen te maken, bouwde Lesák een hooiberg op zijn dakterras in Wenen. Hij bestudeerde deze op drie verschillende momenten van de dag: 's ochtends om zeven uur, om twaalf uur 's middags en om zeven uur 's avonds. Volgens de catalogus ging Lesák zo wetenschappelijk mogelijk te werk om tot een juiste benadering van de kleur te komen. Hij dook in biologie- en kleurenleerboeken net zolang totdat hij chlorofylgroen in al zijn gradaties onder de knie had.

In het Van Goghmuseum staan de in kunststof uitgevoerde hooibergen van Lesák op sokkels die, om duidelijk onderscheid te maken met de grijsgroene vloerbedekking van het museum, op hun beurt weer op grijze stoeptegels staan. Bij navraag blijken de beelden opgesteld te staan volgens het kompas, in dezelfde stand als ze beschilderd zijn. Lesáks beelden zijn, door de beperkte ruimte noodgedwongen, gedeeltelijk verlicht door kunstlicht, maar ook door het daglicht in de centrale hal, wat voor een juiste kleurweergave niet bevorderlijk is.

Behalve de sculpturen zijn ruim twintig tekeningen te zien. Het zijn kleurstudies ingevuld op voorgedrukte vellen waarop de hooiberg soms in vier verschillende standpunten is afgebeeld. De tekeningen hangen in een onbegrijpelijke volgorde. Slechts bij drie van de ruim twintig tekeningen wordt verwezen naar een bepaald moment van de dag. Om de relatie tussen Lesáks hooibergen en die van Monet aan te duiden heeft het museum - naast enige verklarende woorden - een zwart-wit reproduktie van Monets 'Hooiberg, avondstemming' uit 1889 opgehangen, waarvan het origineel zich in het Poesjkin museum bevindt. De relatie tussen beide kunstenaars wordt hiermee nauwelijks duidelijk gemaakt. Er had op z'n minst een kleurenreproduktie van Monets hooiberg moeten hangen, maar dan nog blijft het voor bezoekers volstrekt onbegrijpelijk wat Lesáks bedoelingen zijn geweest.

Wie wil weten hoe de vork in de steel zit, kan beter de catalogus lezen, al wordt ook hierin het verband tussen tekst en afbeelding niet gelegd. Ook komen er geen afbeeldingen van Monets hooibergen in voor. Lesáks hooibergsculpturen komen beter tot hun recht in een hedendaagse context, zoals eerder dit jaar te zien was in de Mannheimer Kunstverein en komend najaar in het Museum des 20.Jahrhunderts in Wenen. De bezoeker verwart dan niet Lesáks kunst met een onderzoek naar Monets hooibergen, maar bewondert een paar grappige bergen, opgebouwd uit bundels slierten die swingend in elkaar vervlochten zijn. Hooibergen bekeken door de ogen van een twintigste-eeuwer.