Pas op de plaats

Op 10 december 1991 werd het Verdrag van Maastricht getekend. Dat verdrag moest de Europese eenwording in een stroomversnelling brengen. Veel zaken waarover nu nog nationale regeringen en parlementen beslissen zouden naar supra-nationaal niveau worden getild. Er zou één Europese centrale bank komen die de geldpolitiek voor de hele Europese Gemeenschap (EG) regelt, één Europese munt die de nationale valuta vervangt. En dat is nog lang niet alles. Maastricht moest het startsein geven voor het ontstaan van een Verenigde Staten van Europa. Een gemeenschappelijk beleid wat betreft defensie en immigratie en een gemeenschappelijke buitenlandse politiek. Het verdrag moest dan nog wel even door de volksvertegenwoordiging van elk van de twaalf lidstaten worden aanvaard. In het Verenigd Koninkrijk en Denemarken zou dat misschien wat spanningen kunnen veroorzaken. Maar uiteindelijk zou het verdrag er wel doorkomen, dacht vrijwel iedereen...

Op 2 juni bleken ruim 2 miljoen Denen daarover een heel andere mening te hebben. In het referendum over ”Maastricht' stemde 50,7 procent van de Deense kiezers ”nee'. Met een meerderheid van 24.000 stemmen werd het verdrag verworpen.

De uitkomst van het Deense referendum heeft grote gevolgen voor het Europa van de Twaalf. Binnen de Gemeenschap geldt het beginsel ”samen uit, samen thuis'. Het Verdrag van Rome (1957) schrijft voor dat nieuwe verdragen alleen kunnen worden gesloten als alle lidstaten ermee akkoord gaan. Kortom, volgens de letter van het verdrag van Rome is ”Maastricht' van de baan.

En dat terwijl de gang er zo lekker leek in te zitten. Zowel in de breedte als in de diepte. Heel wat landen staan te trappelen om bij de Gemeenschap te mogen horen. Verwacht wordt dat Noorwegen, Finland, Zweden, Oostenrijk en Zwitserland in 1995 toetreden. En dat in de jaren daarna een aantal Oosteuropese landen (Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije, die vorig jaar al een samenwerkingsverdrag met de EG tekenden) door hun toetreding de Oostgrens van de Gemeenschap zullen afbakenen.

Die uitbreiding tot een EG-20 zal niet van een leien dakje gaan. Hoe spreek je bijvoorbeeld een gemeenschappelijk defensiebeleid af met Zwitserland? Een land dat wegens zijn streven naar neutraliteit nog niet eens lid is van de Verenigde Naties. En zo zijn er nog wel een paar hobbeltjes. Om te voorkomen dat Europa een log monster wordt dat zich niet meer kan wenden of keren, moet de vergroting van het aantal leden gepaard gaan met een verdieping van de bestuursorganen. De voorzitter van de Europese Commissie Jacques Delors heeft samen met de commissaris externe betrekkingen Frans Andriessen een rapport geschreven hoe dat allemaal moet.

De huidige inrichting van het bestuur van de EG verdient geen schoonheidsprijs. De Europese Commissie is het dagelijks bestuur. Zij bestaat uit zeventien leden (twee per groot land en een per klein). Op dit moment is de doortastende Jacques Delors voorzitter. Besluiten van de Commissie worden voorgelegd aan een Raad van Ministers, die de werkelijke macht heeft. Deze Raad is samengesteld uit ministers van elk van de twaalf lidstaten. Het zijn niet steeds dezelfde ministers; ze wisselen per onderwerp. Is landbouw aan de orde, dan zitten er de ministers van landbouw. Gaat het over financiën, dan draven de ministers van financiën op, enzovoort. Een nadeel van deze constructie is dat de ministers vooral het politieke thuisfront scherp in de gaten houden. Daar moeten ze immers verantwoording afleggen. Ze hebben daardoor vaak wat minder oog voor het Europese belang. Het Europese Parlement werd in 1979 voor het eerst rechtstreeks gekozen door de EG-burgers. Het controleert het werk van de Europese Commissie. Het Parlement probeert uit te groeien tot een echte Europese volksvertegenwoordiging, maar zo ver is het nog niet. Het heeft geen wetgevende bevoegdheden en het kan de ”regering' niet naar huis sturen.

In grote lijnen komen de hervormingsvoorstellen Delors/Andriessen op het volgende neer. De Europese Commissie moet meer macht krijgen, meer op een echte regering gaan lijken. Met een President die voor drie jaar gekozen wordt en die zijn eigen ministers kiest. Een regering die door het Parlement ten val gebracht kan worden. In de Raad van Ministers moet de besluitvorming worden vereenvoudigd door te werken met meerderheidsbeslissingen in plaats van unanimiteit. En in de Raad en het Parlement moeten de zetelaantallen meer in overeenstemming worden gebracht met de bevolkingsgrootte van de lidstaten: meer zetels voor de groten, minder voor de kleintjes. Juist die plannen hebben misschien een doorslaggevende rol gespeeld bij de Deense afwijzing van Maastricht. Op de EG-conferentie deze maand in Lissabon moeten de voorstellen worden besproken. Het is de vraag of dat ervan komt. De uitslag van het Deense referendum heeft Europa in opperste verwarring gebracht. Ongetwijfeld zullen de overige elf lidstaten bekijken of ze geen constructie kunnen bedenken om vast te houden aan Maastricht. Dan maar zonder Denemarken. De vraag is of dat een oplossing is.

Ook in Frankrijk moet de bevolking zich nog in een referendum uitspreken over het Verdrag van Maastricht. De angst groeit dat de Fransen die volksraadpleging weleens zouden kunnen misbruiken om hun ongenoegen over president Mitterrand te laten blijken. En in Groot-Brittannië heeft het parlement het Verdrag van Maastricht weliswaar al goedgekeurd, maar er gaan steeds meer stemmen op dat de Britse bevolking toch ook nog even aan het woord wil komen. De uitslag van zo'n eventueel Brits referendum is op z'n minst onzeker.

Op dit moment kan Europa weinig anders doen dan pas op de plaats maken. De ambitieuze plannen van Delors en Andriessen kunnen voorlopig beter even in de vriezer. Een logisch gevolg daarvan is dat de nieuwkomers zullen moeten wachten tot de twaalf hun zaakjes op orde hebben.