OVERZICHTSTENTOONSTELLING VAN COPIER IN ROTTERDAM; Het begon bij de smeerwortel

Tentoonstelling Trilogie in glas: overzicht van het werk van A.D. Copier. T/m 21 aug. Dependance van Museum Boymans-van Beuningen in het Hoofdkantoor van Nationale Nederlanden aan het Weena (bij C.S.) in Rotterdam. Di t/m vr 10-17u. Inl 010-4419400.

Museum Boymans-van Beuningen heeft zijn nieuwe dependance in het gebouw van Nationale Nederlanden aan het Rotterdamse Weena geopend met een overzichtstentoonstelling van het glas van Andries Dirk Copier (1901-1991). De vroegste werkstukken, twee waterkaraffen en een bijpassende beker, dateren uit 1921. In de laatste vitrine staan vier schalen, gemaakt in het najaar van 1991. De expositie vormt de neerslag van Copiers levenslange liefde voor het materiaal glas. Meer dan zeventig jaar bestudeerde hij glas, tekende hij glas, dàcht hij in glas.

Copier beschikte over grote artistieke talenten, was onderzoekend en nieuwsgierig, en behield tot het einde van zijn leven een meer dan gemiddelde energie. Maar die kwaliteiten maken iemand nog niet tot de beroemdste glaskunstenaar van zijn tijd. Copier heeft ook het geluk gehad dat op de juiste momenten de juiste mensen hem steunden. De belangrijkste rol in de carrière van Copier speelde P.M. Cochius, die in 1912 tot directeur van de glasfabriek "Leerdam' was aangesteld.

Cochius leidde de fabriek door de oorlogsjaren 1914-1918 met hun schaarste aan grondstoffen. In 1920 begon bovendien een economische malaise waarin de onderneming steeds voor de keuze stond door te werken of te stoppen. Cochius zag in dat de fabriek slechts kon overleven door nieuwe modellen uit te brengen die een eind maakten aan de hegemonie van het 19e-eeuwse persglas met zijn pompeuze versieringen. Cochius' ideaal was het produceren van eenvoudig, verantwoord gebruiksglas dat voor iedere beurs te bekostigen viel. Al in 1915 kreeg architect De Bazel opdracht een nieuw servies te ontwerpen. Later kregen ook De Lorm, Berlage en Lebeau incidentele opdrachten.

Cochius onderkende vrijwel direct de mogelijkheden van de jonge Copier, die in 1914 als hulp van zijn vader - hoofd van de ets- en decoratieafdeling van 'Leerdam' - in dienst trad. Hij liet Copier typografische lessen volgen, stuurde hem voor rekening van het bedrijf naar de Rotterdamse kunstacademie en stelde hem onder de hoede van de graficus Jacques Jongert. In 1923 kreeg Copier de supervisie over de dagelijkse glasfabricage en dus ook over de beroemd geworden serviezen van de freelance ontwerpers. In een interview dat deze krant een paar jaar geleden met Copier maakte toen hem de David Roëllprijs was toegekend, haalde de kunstenaar herinneringen op aan zijn contacten met Berlage.

Berlage, destijds betrokken bij de bouw van het Haags Gemeentemuseum, tekende in zijn directiekeet op een los velletje wat schetsen van gebruiksglas. Copier moest beslissen welk glas het leukste was en aangeven wat er fout kon gaan bij de fabricage. Copier zette een kruisje bij het ontwerp van zijn keuze en dat werd dan in Leerdam uitgewerkt. Niemand, verzekerde Copier, vroeg ooit of het glas ook verkocht zou worden.

Met zijn eigen servies uit 1922, geïnspireerd op de kelk van de smeerwortelbloem, behaalde Copier op de legendarische Parijse expositie van 1925, de "Exposition internationale des arts décoratifs et industriels modernes', een zilveren medaille. Een paar jaar later werd hij leider van de artistieke afdeling van de fabriek. Hij bleef glas ontwerpen, maar maakte ook catalogi en richtte op beurzen Leerdam-stands in. Op zijn initiatief werd in 1943 een glasschool aan de fabriek verbonden, waar onder meer Floris Meydam en Willem Heesen onderricht kregen. In 1971 beëindigde Copier zijn loopbaan in Leerdam. Daarna volgde het 'vrije' werk, gemaakt in studio's van bevriende kunstenaars: in Acquoi (bij Leerdam), in Italië, Zweden, Tsjechoslowakije en Amerika.

De expositietitel 'Trilogie in glas' duidt op de driedeling in het oeuvre van Copier, het industriële glas uit de Leerdamperiode, het Unica-glas uit dezelfde jaren en het vrije werk uit de tijd nà 1971. In Rotterdam zijn de drie groepen ruim vertegenwoordigd.

Uiteraard zijn alle 'klassieken' uit de industriële periode opgesteld: de Graniver bloempotten in hun heldere Stijlkleuren, de geribbelde violenvaasjes en de bloemvazen in de vorm van een bol. Daarnaast is er een schitterende keuze gemaakt uit de Leerdam-unica. Een paarse buikige vaas in de vorm van een vrucht uit 1932 en een iets vroegere kom van stralend geel waarvan de huid een allerfijnst craquelé vertoont, zijn hoogtepunten van harmonie.

Die harmonie ontbreekt soms bij het latere, vrije werk. Aan de vazen en kommen die Copier als gast in binnen- en buitenlandse ateliers maakte, is vooral het plezier in experimenteren af te lezen. Een boeiend maar agressief voorbeeld van dit kunstige glas is een kom, in 1988 in het Tsjechische Novy Bor vervaardigd. De witte binnenkant van dit exemplaar heeft een felgroene buitenzijde waarin puntige, half-ingesmolten witte en rode scherven zijn verwerkt.

In Rotterdam is een videoprogramma te zien dat het produktieproces van een van Copiers laatste kommen toont. Het filmpje begint met een schets die Copier in zijn Wassenaarse werkkamer maakt. Het wordt een grijzige schaal met oranje en gele strepen. Trefzeker voegt Copier een helderblauw accent toe, een van zijn lievelingskleuren. Vervolgens gaat hij met de tekening naar de glasstudio van Bernhard Heesen in Acquoi. Copier en Heesen hebben aan weinig woorden genoeg; ze bespreken even de lengte van de gekleurde strepen. Die moeten tot de rand doorlopen. Dan begint Heesen met het vormen van de schaal. Een tweede glasblazer komt erbij en naarmate de schaal vordert, zijn nog twee assistenten nodig. Copier, merkwaardig vitaal voor zijn negentig jaar, laat geen oog af van de schaal-in-wording. Over het eindresultaat is hij goed te spreken.

Misschien werkt het filmpje voor veel bezoekers ontnuchterend. Copier immers ontwierp alleen de vormen en had de glasblazer nodig voor de verwerkelijking van zijn schetsen. Zèlf vergeleek hij zich graag met een dirigent. De orkestmusici zijn meesters op hun eigen instrument, maar de dirigent bepaalt de klank van het geheel. Als hij een goede dirigent is, brengt hij het beste in zijn muzikanten naar voren zodat ze hun eigen mogelijkheden overstijgen. Bij de kamerorkesten van glasblazers en hun helpers was Copier zo'n goede dirigent.