Oost-Europa gebaat bij geïntegreerd West-Europa

Europa heeft ten opzichte van Japan en de Verenigde Staten een probleem: de achtertuin van Europa. De Europese periferie bestaat uit zwakke landen, economisch in crisis, politiek instabiel, financieel een bodemloze put. Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie vormen geen gebieden met een veelbelovend perspectief.

Japan beschikt met Oost- en Zuidoost-Azië over de meest dynamische regio van de wereld, terwijl de Verenigde Staten in Latijns-Amerika een regio heeft die het pad van economisch herstel is ingeslagen. De Europese Gemeenschap heeft de dynamiek van de interne markt - maar na de Deense volksstemming koerst de EG eerder af op verwarring dan op slagvaardigheid.

“Hoe verwerken Europa, de Verenigde Staten en Japan de ineenstorting van het politieke en economische systeem van het voormalige Sovjet-imperium”, vroeg EG-commissaris Frans Andriessen zich af op een recente conferentie voor Europese, Japanse en Amerikaanse journalisten, georganiseerd door de Europese Commissie. “De EG, de VS en Japan zijn de belangrijkste exponenten van een systeem dat met zijn voorbeeldfunctie heeft bijgedragen aan de ineenstorting van het Oosteuropese communisme. Nu moeten ze zich aanpassen aan een wereld die niet langer ideologisch in tweeën is gedeeld en waarin de zekerheid van militaire afschrikking plaats heeft gemaakt voor de onvoorspelbaarheid van economische concurrentie.”

De EG staat in die concurrentieslag niet bij voorbaat op winst nu het IJzeren Gordijn is opgerold. Op de genoemde conferentie hielden een Amerikaanse en Japanse zakenman een enthousiast betoog over de dynamiek van hun respectieve regio's. John Bryan, voorzitter van de raad van bestuur van voedingsmiddelengigant Sara Lee Corp. (onder meer eigenaar van Douwe Egberts), en Yohei Mimura, de hoogste man van Mitsubishi Corp., gaven de Europese toehoorders het onbehaaglijke gevoel dat Amerika en Japan zich geschraagd weten door groei in hun directe omgeving, terwijl Europa met hopeloze Oost-Europese en verderliggende republieken zit opgescheept.

“Mexico is een betere plaats om zaken te doen dan Polen”, vatte Bryan de mening van veel Amerikaanse zakenlieden samen. “Latijns Amerika heeft het omslagpunt bereikt en is weer aantrekkelijk voor investeringen. De Oosteuropese landen zakken weg onder het niveau van Latijns Amerika. Investeren in Oost-Europa? Dat zal pas iets opleveren voor onze kleinkinderen.” De Amerikaanse industriële werkgelegenheid, verwacht Bryan, zal zich de komende jaren massaal over de grens naar goedkope assemblage-landen in het Caraïbisch gebied en Midden-Amerika verplaatsen. Deze opvatting wordt gestaafd door harde cijfers: particuliere investeringen stromen naar Latijns Amerika nu de schuldencrisis daar heeft plaatsgemaakt voor hernieuwde groei.

Ook Japan gebruikt zijn buurlanden voor goedkope assemblage, als afzetmarkten en toeleveranciers. Praat met Japanners over de dynamiek van hun regio en ze hebben het niet over de vier "Aziatische tijgers', maar over China, waar economische hervormingen vooruit lopen op politieke omwentelingen.

Oost-Europa biedt vooralsnog nauwelijks dergelijke perspectieven aan West-Europa: de economische hervormingen staan nog aan het begin en particuliere investeerders blijven terughoudend. De grootste bedragen die in Oosteuropese hervormingen gestoken worden zijn afkomstig van overheden of officiële instellingen. Alleen Nederland voert in dat verband een discussie over de vraag of dit nu wel of niet een taak van "ontwikkelingshulp' is.

Uit Japans en Amerikaans gezichtspunt is Oost-Europa een zaak voor West-Europa. De Japanse parlementariër Yohei Kono meldde dat het oosten van Siberië via Japanse investeringen betrokken zal worden bij de dynamiek van de Pacific rim, de kring van landen en staten om de Stille Oceaan. Dat leverde hem een reprimande op van EG-commissaris Andriessen: “Het is gevaarlijk om te zeggen dat Europa het Europese deel van het ex-Sovjet-blok voor zijn rekening neemt en Japan het Oost-Siberische deel. De hulp van de EG gaat van Moskou tot Wladivostok.”

De Verenigde Staten trekken hun handen helemaal af van Oost-Europa, betoogde Robert Blackwill, hoogleraar in Oost-West betrekkingen aan de universiteit van Harvard en als presidentieel adviseur nauw betrokken bij de vormgeving van het Amerikaanse beleid voor de ex-communistische landen. “De toekomst van Oost-Europa is in handen van West-Europa. De boodschap van de Verenigde Staten aan Europa is: "Over to you'.”

De VS zijn in dit verkiezingsjaar bezig met zichzelf. De opstand in Los Angeles trekt de aandacht, niet de deplorabele situatie in Oost-Europa nu het communisme geen bedreiging meer vormt voor de Amerikaanse veiligheid. De periode waarin de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog en tijdens de Koude Oorlog internationale verantwoordelijkheid op zich namen, is voorgoed voorbij, aldus Blackwill.

Europa, dat wil zeggen de Europese Gemeenschap, heeft daarom een sleutelrol bij de wederopbouw van Oost-Europa en dat levert geen economische dynamiek, maar een beroep op financiële middelen en op de institutionele veerkracht van de EG op. Het maakt, zeker na de klap die de Deense kiezers vorige week uitdeelden, de vraag actueel waar de EG eigenlijk naar toe wil.

De Belgische burggraaf Eugène Davignon, oud-EG-commissaris en tegenwoordig president-directeur van Société Générale, vatte de tweeslachtigheid bondig samen. “Wordt de EG een institutioneel anker voor heel Europa of wordt het een organisatie van landen die zich verregaande integratie ten doel stellen?” De discussie tussen "verbreding' of "verdieping', tussen een snelle uitbreiding met nieuwe lidstaten of een verdergaande overdracht van bevoegdheden aan Brussel door de huidige EG-landen, is volgens Davignon door de uitdagingen van Oost-Europa alleen maar urgenter geworden. Maar de meningen zijn nog scherp verdeeld. Want bij uitbreiding gaat het niet alleen om de mogelijke toetreding van de zeven landen die inmiddels een lidmaatschapsaanvraag in Brussel hebben ingediend (Zweden, Finland, Oostenrijk, Cyprus, Finland, Turkije en Malta) maar vooral om de verwachte verzoeken om toetreding van oude en nieuwe republieken in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie.

Een Europe à geometrie variable, een Europa van verschillende samenstellingen, lost niets op, aldus Davignon. Hij schetste een beeld van een uitgebreide EG waarin ministers in voortdurend wisselende samenstelling hun vergaderingen zouden houden en de besluitvorming per onderwerp anders zou zijn geregeld. “Vergeet dat maar, dat is volstrekt onmogelijk”, zei hij ironisch. Terwijl bondskanselier Kohl en de Britse premier Major eind vorige week een oproep deden voor een snelle uitbreiding van de Gemeenschap met nieuwe lidstaten, wees Robert Blackwill het toekomstbeeld van een brede, losse gemeenschap af. Oost-Europa, zei hij, is gebaat bij een sterk, geïntegreerd West-Europa, dat in staat is verantwoordelijkheden op zich te nemen. “De toekomst van Europa hangt af van de verdieping en verdere integratie van West-Europa”, aldus de Harvard-professor.

De mening van Blackwill wordt gedeeld door de Nederlandse oud-thesaurier-generaal Cees Maas, die vorige week afscheid nam van het ministerie van financiën. Maas ziet geen perspectief in een Europese Gemeenschap van twintig landen of nog meer. “Het economische en politieke integratieproces is dan onmogelijk”, zei hij in een interview ter gelegenheid van zijn afscheid en hij pleitte tegen uitbreiding en vóór meer politieke homogeniteit van de bestaande lidstaten.

Misschien heeft de Belg Davignon, met de ervaring van een leven in een gespleten land, een sleutel die op de uitgang van het Europese dilemma past. Op één terrein, zei Davignon, is het mogelijk om met een beperkte groep landen verder te gaan terwijl andere landen afzijdig blijven. En dat is de Economische en Monetaire Unie, de EMU. Een harde kern van EG-landen kan besluiten tot één munt en een gemeenschappelijke centrale bank, terwijl zich daarom heen een schil groepeert van landen die zich om economische of politieke redenen niet kunnen aansluiten bij deze kerngroep, maar wel onder de paraplu ervan institutioneel onderdak vinden.

West-Europa vond na de Tweede Wereldoorlog monetaire stabiliteit (tot 1971) en militaire veiligheid (tot 1991) onder de Amerikaanse paraplu. Op dezelfde manier kan het probleem van de achtertuin van Europa worden opgelost: met een politiek en economisch machtsblok dat verregaand is geïntegreerd en stabiliteit biedt aan de periferie. Het kan een situatie opleveren vergelijkbaar met die van de Conferentie voor economische samenwerking in het gebied van de Pacific onder leiding van Japan en en van de Noord-Amerikaanse vrijhandelszone die de Verenigde Staten met Canada en Midden-Amerika opzetten. Europa zal een enorme inspanning moeten leveren om de dynamiek van die regio's tegen het einde van deze eeuw te evenaren.