Nijlbaars roeit 200 van de 300 vissoorten uit in Victoriameer

Tot voor kort was het Victoriameer het mooiste aquarium dat je je denken kon. Het bezat een onvoorstelbare rijkdom aan kleurige kleine visjes, zo'n 300 soorten haplochrominen. Samen met de Tilapia's die overal in de tropen als voedselvissen worden gekweekt, behoren zij tot de familie der cichliden.

Om de visserij in dit grote Oostafrikaanse meer - twee keer zo groot als Nederland - te bevorderen werd hier in de jaren vijftig de Nijlbaars uitgezet. Vijfentwintig jaar later bleek deze grote, vaak langer dan 80 centimeter lange roofvis, die naar de naam Lates niloticus luistert, zich ineens explosief uit te breiden, terwijl de vangsten aan haplochrominen intussen zienderogen slonken.

Biologen van het Zoölogisch Laboratorium van de Rijksuniversiteit Leiden en van het Nationaal Natuurhistorisch Museum hebben het drama vijftien jaar lang op de voet gevolgd. Bijna iedere maand voeren zij er met kleine trawlers op uit volgens een vaste route en sorteerden de vangsten. Hun conclusie luidt, dat van de 123 soorten die oorspronkelijk in hun proefgebied, de zuidelijke Mwanza Golf, werden gevangen, er zo'n 80 sinds 1986 niet meer aangetroffen zijn. Buiten de kuststrook en in dieper water zijn de haplochrominen vrijwel helemaal verdwenen. Als deze cijfers representatief zijn voor de stand van zaken elders in het meer, dan zouden 200 van de 300 oorspronkelijke soorten uitgestorven zijn of op het punt staan te verdwijnen. 99 procent daarvan was endemisch, dat wil zeggen nergens anders in de wereld te vinden.

""Vermoedelijk zijn nergens anders in deze eeuw zoveel vertebraten tegelijk uitgestorven'', zegt bioloog Frans Witte, sinds 1982 coördinator van het onderzoek dat oorspronkelijk door dr. C. Barel was opgezet. ""Haplochrominen zijn fantastische vissen in de mooiste kleuren, Rood, geel, knalblauw met zwarte strepen. Toen we ons onderzoek begonnen zei men dat er 100 soorten zaten. Daarna vonden we er al snel zo'n 150 bij. We hebben ze nog net op tijd ontdekt om ze te zien uitsterven, er zijn er een heleboel die nog voor de wetenschap beschreven moeten worden, maar nu al "fossielen' zijn, alleen nog te vinden in onze laboratoriumpotjes.''

Overigens noemt Witte het uniek dat een biologisch tropenonderzoek zo lang consequent wordt volgehouden. De meeste soorten in de wereld sterven ongemerkt uit.

Geologisch onderzoek heeft uitgewezen dat de evolutionaire explosie aan vissoorten in het Victoriameer zich voltrokken heeft in de betrekkelijk korte tijdsspanne van zo'n 750.000 jaar en misschien zelfs korter, want er zijn aanwijzingen dat het meer nog vrij recent is drooggevallen. Elke vissoort ontwikkelde zijn eigen voedselspecialisatie en tezamen zagen ze kans vrijwel alle voedselbronnen in het meer volledig te benutten. Er waren viseters, krabben- en garneleneters bij, insekten- en weekdierspecialisten, soorten die van algen, kroos of bepaalde waterplanten leefden, vissen met een voorkeur voor schubben of juist voor parasieten of voor de prut op de bodem van het meer.

De Leidse biologen hebben deze soorten geinventariseerd, hun onderlinge relaties in de verschillende leefgebieden ontrafeld en uitgezocht waarom sommige eerder uitstierven dan andere. Witte: ""Van alle kanten is getracht het Nijlbaarsprobleem te bagatelliseren. Mensen haalden een netje door het meer, vingen wat visjes en riepen dat er niets aan de hand was. Maar onze cijfers liggen nu op tafel.''

Soorten die van nature al zeldzaam waren sterven uiteraard het vlugste uit, verder staan ze er slechter voor naarmate hun leefgebied meer met dat van de Nijlbaars overlapt. Soorten rond de rotsige strandijes in ondiep water, waar de Nijlbaars zich niet waagt, hebben de meeste overlevingskansen.

De grootste haplochrominen, merendeels visetende soorten van tenminste 10 centimeter lengte, bleken als eerste te verdwijnen. Maagonderzoek wijst uit dat de Nijlbaars een voorkeur voor deze wat grotere prooidieren heeft. Bovendien speelt mee, dat de wat grotere soorten ook de meeste kans maken om in de netten van de trawlervisers te belanden. Rond de Mwanza golf is in de jaren zeventig een kleinschalige trawlervisserij op gang gekomen. Aanvankelijk ving men zo'n 1000 kilo cichliden per uur, nu bestaan de vangsten voor 90 procent uit Nijlbaars.

Er wordt nu drie- tot viermaal zoveel vis gevangen als vroeger en voor de bevolking is dat van groot belang. Of het ook zo zal blijven staat echter allerminst vast. Er zijn geen aanwijzingen dat de produktiviteit van het meer is toegenomen, wèl is de intensiviteit van de visserij sterk toegenomen.

Oorspronkelijk maakten afval- en planktonetende vissen zo'n 40 procent van de visbiomassa in het meer uit. Hun rol is nu, verrassend genoeg, overgenomen door garnaaltjes. Nadat de Nijlbaars zijn favoriete kostje grotendeels had uitgeroeid is hij soepel op deze garnaaltjes overgeschakeld. ""Zo heeft hij de haplochrominen voorbij een point of no return geduwd'', aldus Witte. ""Een terugkoppeling in de vorm van schaarste aan prooidieren ontbrek.''

Soorten die van plantaardig en dierlijk plankton leven, de primaire en secundaire consumenten in de voedselpiramide, hebben plaats gemaakt voor tertiaire consumenten, viseters. ""Ook de vogels en otters rond het meer hebben hun voedselpatronen veranderd. Het is fascinerend om te zien en het verandert nog voortdurend,'' aluds Witte. ""Zo'n soortenrijk ecosysteem is blijkbaar veel minder stabiel dan men altijd heeft gedacht.''

Zorgwekkend is, dat sinds 1986 in het meer herhaaldelijk intensieve en langdurige algenbloei is waargenomen. Uit onderzoek van T. Goldschmidt blijkt dat dit vermoedelijk samenhangt met het verdwijnen van cichliden die zich specialiseerden op deze algen en die zo'n 40 procent van de oorspronkelijke visstand in het meer uitmaakten. Zij hielden het water helder. Hun plaatsvervangers, de garnalen, zijn veel minder kien op deze algen. Nu leidt de algenbloei en de daarop volgende rotting regelmatig tot grootschalig zuurstofgebrek en massale vissterfte in de diepere lagen van het meer. Vroeger gebeurde dat alleen in de regentijd, als onvoldoende menging in de waterlagen optrad, maar na een flinke storm was het probleem dan vanzelf opgelost.

""De voedselproduktie van het meer is nu heel goed en voor de bevolking is dat een zegen, maar hoe lang dat zal blijven is de vraag'' concludeert Witte spijtig. ""Daar is een uniek ecosysteem met, om het maar eens populair te zeggen, een hele hoge biodiversiteit, aan opgeofferd.''