Hulpverlener moet "stoer verhaal' doorzien; Studiedag over voorkomen seksueel geweld van jongens

EDE, 11 JUNI. Moet je jongens in jeugdtehuizen verbieden pornografie op hun kamer te hebben? En hoe ga je om met de sterke verhalen die ze elkaar vertellen over meisjes die ze "gepakt' hebben? Het zijn twee van de vele vragen op het gebied van de preventie tegen seksueel geweld waarover hulpverleners en groepsleiders zich gisteren bogen op een studiedag in Ede. Er werd een boek gepresenteerd dat hun hulp moet bieden bij het oplossen van deze vraagstukken: "Jongens, het kan ook anders!'

Jongens van veertien tot achttien in de zogenoemde residentiële jeugdhulpverlening vormen de nieuwste deel-doelgroep in de overheidscampagne tegen seksueel geweld ("seks is natuurlijk, maar nooit vanzelfsprekend'), die gericht is op jongens en mannen van 14 tot 35.

Staatssecretaris E. ter Veld was naar Ede gekomen om tevreden vast te stellen dat de in 1991 ingezette campagne in de media succesvol is. Tachtig procent van de mannen kent het postbus-51 spotje, zo blijkt uit een onderzoek uitgevoerd in opdracht van de ministeries van sociale zaken, justitie en onderwijs en wetenschappen. Voor het onderzoek, dat Ter Veld gisteren aanbood aan de Tweede Kamer, werden 1135 mensen ondervraagd. De onderzoekers concluderen dat aan de eerste doelstelling van de campagne, namelijk seksueel geweld bespreekbaar maken en de kennis over seksueel geweld vergroten, in belangrijke mate is tegemoet gekomen.

“Moet de overheid wel zo nodig optreden als zedenmeester? Ja, dat moet is mijn antwoord”, stelde Ter Veld. Maar een campagne alleen kan geen gedragsverandering teweeg brengen, constateerde zij ook. Vandaar het initiatief van de vier bij de campagne betrokken ministeries om het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn te vragen een werkboek te maken. Het moet het eerste van een kleine reeks worden. Men denkt aan soortgelijke werkboeken voor het sociaal cultureel werk en waarschijnlijk ook het gevangeniswezen.

Jeugdtehuizen zijn geen toevallige doelgroep. Jongens in die tehuizen vormen volgens sommigen een extra grote risicogroep als het gaat om het plegen van seksueel geweld. De jongens komen vaak uit gezinnen die worden gekenmerkt door affectieve verwaarlozing en andere vormen van mishandeling. Veel tehuisjongeren zijn bovendien opgevoed onder invloed van sterk traditionele opvattingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid en in hun leefsituatie speelt onderlinge rivaliteit en competentiestrijd een grote rol.

Of ze zo'n extra risicogroep vormen, wil H. Spanjaard, medewerker van het RIAGG Zuid Nieuw-West en schrijver van het werkboek, in het midden laten. Hij wijst erop dat jongens uit internaten ook een grotere kans lopen om van seksuele delicten beschuldigd te worden, alleen al omdat ze op dat internaat zitten. “Als er iets gebeurt in de buurt van zo'n tehuis, is het al snel: Oh, dat zullen die jongens van het internaat wel gedaan hebben.” Dat er op internaten evenwel vaak een cultuur van het tonen van "macho-gedrag' en "mannelijkheid' bestaat, zal Spanjaard niet bestrijden. “De druk om seksueel te presteren is zo groot dat jongens soms over de grens heen gaan.” En daar moet dus wat aan gebeuren.

Spanjaard zegt tijdens zijn rondgang langs tehuizen geschrokken te zijn, omdat het probleem van seksueel geweld soms niet bespreekbaar was. “Ik ben in rijksinrichtingen geweest waar plegers van seksueel geweld zaten. Daar werd er niet over gepraat. Want als pleger ben je daar, net als in gevangenissen, het laagste van het laagste. Die jongens krijgen het advies hun mond te houden over de reden waarom ze er zitten. Hoe moet je dan voorkomen dat ze het nog eens doen?”

Toch zijn de meeste werkers in de tehuizen bereid iets aan de situatie te doen, stelt Spanjaard. De grote belangstelling voor het symposium bewijst het. De oplossingen zijn tweeërlei. Groepsleiders moeten zich zelf afvragen of zij zich niet rolbevestigend opstellen en jongens onbewust stimuleren in hun gedrag. Maar de meeste aandacht moet naar (het gedrag van) de jongens zelf gaan. “De nadruk ligt op het bevorderen van het inlevingsvermogen in anderen”, stelt Spanjaard. Er moet met de jongens worden gesproken over hun gedrag, over wat ze meemaken en wat dat voor de anderen (meisjes) betekent. “Je moet hun stoere verhalen doorprikken.”

Van het verbieden van "vieze boekjes' op internaten is hij geen voorstander. “Dat heeft geen zin. Je kunt er beter met ze over praten. Net als over gewelddadige porno. Je moet hen vragen: denk je nou echt dat de vrouwen in die films dat leuk vinden?”