Geoliede overwinning Soeharto

JAKARTA, 11 JUNI. Golkar, de in een partijjasje gestoken staatsbureaucratie van Indonesië, heeft gisteren opnieuw een demonstratie gegeven van haar goed geoliede verkiezingsmachine. In alle 27 provincies van het land behaalde ze de absolute meerderheid.

Toch rept menigeen van een Pyrrus-overwinning, want Golkars electorale grafiek, die de laatste twintig jaar voortdurend naar nieuwe hoogten klom, vertoont voor het eerst een neerwaartse beweging. De kleine, semi-islamitische PPP en de nog kleinere populistische PDI, lange tijd niet meer dan een machteloos symbool van schijnpluriformiteit, hebben, vooral op Java, een flinke bres geslagen in het Golkar-fort.

Golkar zakte van 73 procent (de score van 1987) naar 67 procent, de PPP steeg licht van 16 naar 17,7 procent en de PDI klom van 11 naar 15,3 procent. De uitslagen vertonen overigens per regio een gevarieerd beeld. In de "buitengewesten' - van Sumatra tot Irian Jaya - haalt Golkar gemiddeld driekwart van de stemmen, maar in het verstedelijkte Java, het kloppende hart van de Indonesische economie en vanouds het politieke centrum van het land, komt Golkar niet boven de zestig procent. Daar wist de islamitisch getinte PPP zich te herstellen van het gestage verlies in de jaren tachtig.

Vooral in de industriestad Surabaya en in de universiteitssteden Semarang, Yogyakarta en Salatiga maakte de de PDI een sprong voorwaarts. In Jakarta, vanouds een PDI-bolwerk, haalde Golkar 52 procent en maakte de PDI pas op de plaats, ten gunste van een groeiende PPP.

De beginnende afbrokkeling van Golkar is het gecombineerde resultaat van maatschappelijke ontwikkelingen en spanningen in de machtselite. De onder Soeharto tot heilig ideaal verheven "opbouw' heeft niet alleen geleid tot fraaie groei- en exportcijfers, maar heeft ook nieuwe problemen geschapen en nieuwe verwachtingen gewekt. Tussen de enkele grote super-concerns, die verreweg de grootste punt uit de economische taart snijden, en het traditionele minibedrijf ontstaat een nieuwe middenklasse, wier aspiraties beginnen te botsen met het centralistische systeem van staatsmonopolies en vriendjespolitiek.

Bovendien slaat de snelle economische groei een steeds bredere kloof tussen arm en rijk, vooral in de grote steden, waar in de schaduw van wolkenkrabbers de meerderheid in kampongs leeft. Onder de stadsbevolking groeit de weerzin tegen de inhaligheid van ministers en leden van de presidentiële familie.

Steeds beter opgeleide jongeren ontsnappen aan het traditionele paternalisme van ouders, leraren en notabelen. Zij kiezen in groten getale PDI. Een radicale minderheid sluit zich aan bij Golput, de "witte groep' van niet- of blanco-stemmers, die aldus hun afkeer uitdrukken van het politieke bestel. De Indonesische pers wordt, ondanks tal van beperkingen, steeds vrijmoediger, wat bijdraagt aan een kritische publieke opinie. Tenslotte beleeft Indonesie de geleidelijke emancipatie van de uit angst voor fundamentalistische ontsporingen lange tijd kort gehouden moslim-meerderheid.

De macht in Soeharto's Nieuwe Orde berust sinds 1967 bij de president, het leger en de bureacratie (Golkar). In de opbouwfase trokken zij één lijn, maar de laatste jaren vertoont deze drie-eenheid scheurtjes. Soeharto wordt omringd door een hofhouding van door hemzelf benoemde ministers, die in de gratie hopen te blijven door het achterhouden van slecht nieuws. Golkar-parlementariërs mopperen in de wandelgangen, maar gedragen zich in de praktijk als loopjongens van de president.

Het leger, dat meebeslist via het fijnmazige netwerk van gepensioneerde officieren en dat van de departementen in Jakarta tot in de kleinste desa zijn mensen heeft, houdt nog het meest voeling met de maatschappelijke ontwikkelingen. Binnen de strijdkrachten bestaat onvrede over de starre en niet zelden corrupte bestuurspraktijken van de Nieuwe Orde en een minderheid acht de tijd rijp voor een nieuwe president. Een andere minderheid steunt Soeharto, maar de overgrote meerderheid stelt zich politiek neutraal op.

Het leger hecht voor alles aan politieke stabiliteit en daarom heeft het Golkar bij verkiezingen lang de hand boven het hoofd gehouden. Als de ambtenarij uit Golkar-trouw fraudeerde, knepen de militairen een oogje dicht. Dat is voorbij. De militaire top beschouwt de nieuwe sociale spanningen intussen als een grotere bedreiging voor de stabiliteit dan de opkomst van PPP en PDI, tenslotte constitutionele partijen. Deze keer keken de militairen, via hun eigen computers in Jakarta, de ambtenaren op de vingers. Dat heeft intimidatie in de provincie niet voorkomen, maar maakte centrale fraude nagenoeg onmogelijk.