Europa tegen drugs

“DRUGSTSAAR” was de speciale titel die William Bennet kreeg toebedeeld van president Bush toen hij in 1989 werd aangewezen om “de oorlog tegen de drugs” te leiden.

Deze aanduiding betekende niet dat Bennett zich diende te ontwikkelen tot superdrugsbaron, maar vormt in het jargon van de Amerikaanse republiek een aanduiding van de ernst van een missie. Dat dit een onmogelijke missie was klonk soms zelfs door in Bennetts schaarse momenten van zelfspot: “Batman door het bovenraampje”. Hij heeft het twintig maanden uitgehouden. Het tsaristische erfgoed bestaat voornamelijk uit scheve prioriteiten. De Kustwacht kreeg meer boten, maar een opvangproject in de binnenstad van Detroit moest uit geldgebrek dertig bedreigde kinderen de deur wijzen. Florida stuurde zoveel drugsdelinquenten naar het gevang dat geweldsdelinquenten moesten worden vrijgelaten om plaats te maken. Het resultaat: “de oorlog tegen drugs maakt de verkeerde mensen rijk”, zoals een cynicus op een seminar in Washington DC opmerkte.

De Amerikaanse oorlog tegen de drugs is een gevaarlijk voorbeeld voor Europa om te volgen. Toch maakt de Europese Commissie zich op om deze geest uit de fles te halen, getuige plannen om een speciaal Observatorium in het leven te roepen. De titulatuur is iets minder gedurfd dan in de VS, maar de teneur is dezelfde. Van een van oorsprong economisch georiënteerd orgaan zou eerder een koele afweging mogen worden verwacht van de financiële kosten en baten van legalisering, die bij Nobelprijswinnaar Milton Friedman en het Britse blad The Economist al heeft geleid tot een positief antwoord. Nu is dat wel een erg theoretische rekensom, maar afwijzing van legalisering hoeft niet in de weg te staan aan een pragmatische en dus gedifferentieerde aanpak, waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat het drugsvraagstuk niet primair een probleem voor politie en justitie is. We moeten nooit vergeten dat criminalisering aan gangsters, politie en gevangenispersoneel een taak geeft die eigenlijk toebehoort aan ouders, opvoeders en hulpverleners. Maar de Europese Commissie lijkt de dynamiek van de drugseconomie - en de potentie van dit onderwerp als politiek gespreksonderwerp - vooral te willen gebruiken om een voet op het haar tot dusver ontzegde terrein van politie en justitie te krijgen.

VOOR NEDERLAND rijst hier een dilemma. Ons land heeft zich steeds krachtig verzet tegen een "espace judiciaire Européen', zoals eens al bedacht door de toenmalige Franse president Giscard d'Estaing. Niet het minste bezwaar betrof het moeilijk controleerbare karakter van intergouvernementele samenwerking op het gebied van recht en orde. In de aanloop tot "Maastricht' heeft Nederland zich ingezet voor een verdergaande federalisering dan ten slotte uit de bus is gekomen, met name op het gebied van politie en justitie. Maar de aanzet van de Commissie op het gebied van de drugsbestrijding laat zien dat ook deze weg zijn bezwaren heeft.

In de VS is de oorlog tegen de drugs tenminste onderworpen aan volwassen parlementaire controle èn aan toetsing aan de grondrechten door de federale rechterlijke macht. Beide ontbreken in Europa. De Commissie heeft zelfs geen portefeuillehouder voor politie en justitie. Dat zijn redenen te meer iedere poging tot avonturisme op dit gevoelige gebied te diskwalificeren.