Eric-Jan Tuininga over de wals van de landbouwtechnologie: "De oorzaak van de melkplas staat niet ter discussie'

Agrarische raffinaderijen en melkrobots. Twee schrikbeelden als gevolg van kritiekloze omarming van de landbouwtechnologie, meent prof.ir. Eric-Jan Tuininga. Die vanzelfsprekende landbouwtechnologie resulteert volgens hem in verdere schaalvergroting en dat gaat ten koste van het milieu en de boer.

"We moeten bedenken dat de huidige ontwikkeling niet noodzakelijkerwijs de enige weg is. De landbouw moet het juist hebben van kleinschalige bedrijven met individuele ondernemers', zegt Tuininga, hoogleraar in de maatschappelijke aspecten van de wiskunde en natuurwetenschappen aan de VU te Amsterdam. Volgens hem is de tijd rijp voor een maatschappelijke discussie over de rol van de technologie in de landbouw, vergelijkbaar met die over kernenergie in de jaren zeventig.

Tuininga is beslist niet tegen technologische vernieuwingen. Maar hij stelt wel de eenzijdige invulling ervan ter discussie. "Technische innovaties in de landbouw lijken alle hetzelfde doel te dienen: verlaging van de kosten en verhoging van de opbrengst. Kijk maar naar de melkrobot, melkmachine waar geen mens meer aan te pas komt, een technologische ontwikkeling die zichzelf op de agenda heeft geduwd, maar die volstrekt overbodig is. Geen enkele melkveehouder die daar op zit te wachten.'

De landbouwtechnologie is volgens Tuininga teveel produktiegericht en te weinig gericht op een balans met natuur- en milieubelangen en een menswaardig bestaan. Deze trend is het verst doorgevoerd in de tuinbouw, meent Tuininga. "Die sector is het summum van high-tech met betrekkelijk weinig arbeid en is sterk milieuvervuilend.'

"In de akkerbouw zijn discussies over landschapsontwikkeling of boer als landschapsbeheerder verworden tot een non-issue. Want door de grootschaligheid is geen sprake meer van verweving van landbouw en natuur. Als ook de sterk getechnologiseerde veehouderij op dezelfde voet doorgaat komt het spookbeeld van agrarische raffinaderijen gevaarlijk dichtbij. Bij dergelijke megacomplexen is de produktie en verwerking van landbouwprodukten volledig geïntegreerd en de boer definitief naar de zijlijn verwezen. Aan de voorkant van zo'n gigantische eenheid wordt veevoer erin gestopt en aan het eind van de keten rollen de karbonades en drumsticks eruit.'

Kritiekloze omarming

Tuininga verbaast zich over de kritiekloze omarming door de land- en tuinbouw van het zogenoemde technologisch imperatief. "Niemand stelt kritische vragen over de jaarlijks continu stijgende produktiviteit van ruim twee procent in de EG, terwijl de consumptie met minder dan 1 procent groeit. De melkplassen en vleesbergen kosten handenvol geld. Maar niemand die de bron, namelijk de immer voortschrijdende technologie, ter discussie durft te stellen. Nee, men gaat de overproduktie te lijf met economische sancties.'

De landbouw vaart ook blind op de technologie, vindt Tuininga, waar het gaat om oplossing van de ongewenste milieu-effecten van verdere intensivering. "Zo stelde minister Braks altijd dat het mestprobleem wel kon worden weggewerkt dankzij de techniek. Ook het verhaal van de Schone Zakelijkheid van de commissie Van der Stee, die het toekomstperspectief van de Nederlandse landbouw heeft bestudeerd, staat bol van een dergelijk ongefundeerd optimisme, evenals de Structuurnota Landbouw.'

Tuininga mist het nodige tegengas in de samenleving tegen deze vorm van "one way agriculture'. Zo kwam vorig jaar het Landbouw Economisch Instituut met een studie over landbouwtechnologie. Maar ook dat rapport, geschreven in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, is volgens de wetenschapsman veel te volgzaam. "In wollige ambtelijke taal staat niets anders te lezen dan dat we het met zijn allen zo goed doen en dat het nog beter, nog efficiënter moet vanwege de concurrentie. Nergens een spoor van enige kritische analyse. Een gemiste kans van de eerste orde', meent Tuininga.

Technologiepessimisten

Maar Tuininga ergert zich ook aan mensen die vinden dat het roer radicaal om moet. De opvatting van wat Tuininga de technologiepessimisten noemt, zoals te vinden bij aanhangers van alternatieve landbouwmethoden, gaat hem te ver. "Zij verafschuwen iedere vorm van technologische vernieuwing en dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de noodzakelijke duurzame landbouw, gebaseerd op een kringloopsysteem. Daarom wil ik niet alleen een discussie over de bedreigingen van de technologie maar ook over de kansen. De inzet van technologie moet men niet heilig verklaren, maar men moet die ook niet bij voorbaat afwijzen. Er is een tussenweg en die komt niet aan bod in de huidige gepolariseerde discussie.'

Tuininga wil juist meer aandacht voor die tussenweg. "Er moet duidelijk worden aangetoond dat de richting die nu gekozen wordt niet noodzakelijkerwijs de enige is. Iedere techniek is flexibel inzetbaar. Laten we daarom eens gezamenlijk nadenken over andere opties.'

Zo kenmerkt de moderne land- en tuinbouw zich vooral door genetische manipulatie en computers. Maar biotechnologie en automatisering hoeven niet per definitie gericht te zijn op grootschaligheid, zoals nu het geval is, aldus Tuininga.

Wat automatisering betreft bespeurt de hoogleraar naast de software en hardware sinds kort de toenemende betekenis van orgware. Hiermee doelt hij op het belang van de wijze waarop de technologie is georganiseerd. "Technologie is meer dan apparatuur. Het effect van een computer hangt samen met de manier waarop je die gebruikt. Die derde dimensie wordt steeds belangrijker. Dat is in andere sectoren al meer doorgedrongen dan in de land- en tuinbouw.'

Leuker werk

Als voorbeeld noemt hij de chemisch-analytische research. "Juist dankzij automatisering zijn de onderzoeksmogelijkheden op dat terrein enorm uitgebreid. De gevreesde uitstoot van banen onder analisten is uitgebleven. Er zijn zelfs meer analisten nodig, die bovendien leuker werk kunnen doen dan eenvoudigweg titreren. Het ligt er maar net aan hoe je die automatisering invult. Dat geldt evengoed voor de landbouw. Een trekker voorzien van een computergestuurde spuitarm heeft nog altijd een boer nodig om ermee op het land te rijden.'

Ook biotechnologie kan op verschillende manieren worden toegepast. Hij wijst in dit verband op het werk van de afdeling Biologie en Samenleving van de VU, die huist naast zijn afdeling. "Deze groep wetenschappers kijkt naar de mogelijkheid om biotechnologie op een andere manier in te zetten dan de louter op winst gerichte grote zaadbedrijven als Van der Have en Zaadunie. Zo kan biotechnologie van groot nut zijn voor kleine boeren, zowel hier als in de Derde Wereld. Biologische stikstofbinding kan dure kunstmest overbodig maken, speciaal geproduceerde algen kunnen de grondstructuur verbeteren en herbiciden kunnen worden vervaardigd uit biologisch afval. Toepassing van dergelijke technieken in de praktijk stuit in de meeste gevallen vooralsnog op geldgebrek. Maar in elk geval zijn de alternatieve kansen op een rij gezet.'

In de normatieve technologie-opvatting van de hoogleraar is bijsturing van de ontwikkeling wel degelijk mogelijk. "Nodig zijn een aantal keiharde randvoorwaarden, ondermeer gesteld door het milieu en door de markt, waaronder die ontwikkeling plaats moet vinden. Die condities moeten via een discussie tot stand komen. Eerst gezamenlijk doelstellingen bepalen en pas dan de technologie erbij zoeken, nu gebeurt het omgekeerde', zegt Tuininga.

Volgens de hoogleraar zijn er in ieder geval op papier haalbare alternatieve ontwikkelingstrajecten te verzinnen. "Dat kunnen zelfs scenario's zijn waar men van tevoren ernstige twijfels over heeft. Bijvoorbeeld een halvering van het verbruik van landbouwgif via geïntegreerde landbouwsystemen en schoffelen in plaats van spuiten. Verschillende toekomstmodellen kunnen na doorberekening best haalbaar blijken. Door die zure appel moet de landbouw heen. De oogkleppen moeten af.'

Zuurequivalenten

Tuininga trekt een parallel met de chemische industrie: "De Stichting Maatschappij en Onderneming onderzocht vier jaar geleden of de industrie de scherpe overheidsdoelstelling van de zuurequivalenten in het jaar 2000 zou kunnen halen. Dat onderzoek toonde aan dat de industrie dat streven zelfs kan bereiken met behulp van bestaande technologie. De chemie, die de norm aanvankelijk onhaalbaar achtte, is nu eindelijk aan het omslaan. Dat geldt evenzeer voor afspraken over de reductie van chloorfluorkoolwaterstoffen die de ozonlaag afbreken. Alleen jammer dat eerst de wal het schip moet keren.'

Tuininga put vooral hoop uit de energiediscussie in de jaren zeventig. "Energiebedrijven dachten vijftien jaar terug ook alleen maar in een richting, uitgaande van het aanbod en niet kijkend naar de vraag. Kernenergie leek de enige mogelijkheid. Warmte-krachtkoppeling werd afgedaan als onzin, kolenvergassing eveneens en windenergie was helemaal uit den boze. De critici liepen te hoop tegen deze eenzijdige benadering die geen recht deed aan de werkelijkheid.'

Professor Tuininga was en is nog steeds actief betrokken bij de energiediscussie. Twintig jaar praten heeft volgens hem de aanvankelijk starre elektriciteitssector veranderd in een van de meest veranderingsgezinde sectoren van ons land. "Nu ligt een uiterst geavanceerd milieu-actieplan bij de energiedistributiebedrijven. Elektriciteitsproducenten besteden sinds tien jaar serieus aandacht aan alternatieven, die eertijds werden afgedaan als onzin en niet haalbaar.'

Hij vervolgt: "Ik hoop dat ook de landbouwsector op een creatieve manier een aantal ontwikkelingslijnen uitzet. Maar zelfs in Wageningen komt er geen goede technologiediscussie van de grond. Heel vreemd vind ik dat. Ik zou graag willen dat een groep van deskundigen eens een aantal doelstellingen formuleert voor het jaar 2000 die net nog door het Landbouwschap worden geaccepteerd. Zoek bij die doelstellingen de bijbehorende technieken en werk de alternatieven grondig uit. De hard werkende en gemotiveerde boeren en tuinders verdienen dat er naast het huis en kantoor van de toekomst ook eens genuanceerd wordt nagedacht over de boerderij van de toekomst.'

Hoe moeizaam de verhoudingen liggen op het groene front bleek een maand geleden. Tuininga, die voorzitter is van het Landelijk Milieu Overleg, moest toen vaststellen dat zelfs de natuur- en milieuorganisaties niet op een lijn te krijgen zijn. Twee jaar overleg tussen dertig natuur- en milieuorganisaties konden niet leiden tot een gezamenlijk groen actiefront tegen de landbouw, laat staan dat de landbouw zelf open staat voor samenwerking.

Tuininga is daarover teleurgesteld. "De groene vuist blijkt in de praktijk een slap handje'.