"Egyptische Rushdie' verloor oorlog zonder hoop

Maandag werd in Kairo bij het verlaten van zijn kantoor de schrijver dr. Farag Fouda vermoord. Een visverkoper uit een arme volkswijk, die zich amir (prins) noemt van één van de talloze groepjes uit het islamitisch-fundamentalistische gezelschap, schoot acht kogels op hem af. Eén van de felste strijders tegen religieus en politiek fanatisme in het Midden-Oosten was voor altijd het zwijgen opgelegd.

Farag Fouda stond bij zijn islamitische doodsvijanden te boek als "de Egyptische Salman Rushdie'. Ook hij was bereid datgene te zeggen en te schrijven wat velen van zijn liberale medestanders dachten, maar niet durfden te uiten - uit angst voor ketters of ongelovigen te worden uitgemaakt. Zo'n beschuldiging is in een islamitische samenleving altijd riskant en soms levensgevaarlijk. De Egyptische intelligentsia nam dan ook gepaste afstand tot Farag Fouda. Hij werd in kleine kring bewonderd, maar hij kreeg nauwelijks steun. Hij was te geestig, te recht op de man af, te kritisch, te individualistisch, te origineel.

Als student was hij al zeer ongewoon, want hij schreef gedichten in het Egyptisch-Arabische dialect - wat als ongepast geldt. In de mythologie van het Arabische nationalisme en het moslim-fundamentalisme is er voor Arabische dialecten geen plaats. Men dient in de geschriften het zeer moeilijke, klassieke Arabisch te gebruiken - de taal van de heilige koran die alle Arabieren met elkaar verbindt - ook als de scholen zó overbevolkt en de onderwijzers zó onderbetaald en ongeïnteresseerd zijn, dat de kinderen niets begrijpen van wat zij uit het hoofd moeten leren. Zij worden òf door dure privé-onderwijzers verder geholpen of zij verlaten als halve analfabeten de school.

In 1968 werd Farag Fouda een van de studentenleiders die massale betogingen op de universiteiten organiseerden, om een eind te maken aan de een-partij-dictatuur van president Nasser. Hij was ook een van degenen die de "muurkrant' uitvonden. Omdat zijn artikelen niet gepubliceerd werden (evenmin als zijn boeken), typte hij ze en hing hij ze op. Andere studenten volgden zijn voorbeeld, zodat de universiteitsmuurkranten in een land waar de media onder strenge overheidscontrole stonden, een alternatieve vrije pers werden.

Voor de rechtlijnigen werd hij een bedreiging omdat hij een grondige studie had gemaakt van de islamitische filosofie en geschiedenis. Daardoor kon hij als geen ander de bedriegelijke praatjes van de fundamentalisten, hun verheerlijking en vervalsing van de geschiedenis en van de islamitische leer, aan de kaak stellen.

Hij schreef uitvoerig over de frauduleuze praktijken van het door de fundamentalisten ingevoerde islamitische banksysteem, dat duizenden Egyptische gastarbeiders in de Golfstaten van hun spaarcenten beroofde. Hij toonde aan dat er in de geschiedenis nooit zoiets bestaan had als een "islamitische staat', en dat de heerschappij van de eerste kaliefen, die door de fundamentalisten zo wordt aangeprezen, allerlei gebreken vertoonde. Maar wat hem het gevaarlijkst maakte, was zijn bijtende spot en humor.

Elke godsdienst kent zijn fanatici die bezeten zijn van angst voor en verlangen naar seks. Dus pakte Farag Fouda de moslim-fundamentalisten op dit punt aan. Hij vroeg of het niet verstandiger was de Gezira-toren in Kairo af te breken omdat die teveel op een fallus leek. In zijn laatste artikel voor het blad Oktober stelde hij de moslim-fundamentalisten voor om niet langer de strijd aan te binden tegen de gelijkheid van vrouwen, maar gewoon de vrouwen af te schaffen. Zijn spot over zijn door seks geobsedeerde islamitische vijanden, die in Assiut de verkoop van komkommers en aubergines (om reden van zedelijkheid) wilden verbieden, ging velen die zichzelf au serieux namen te ver, hoewel ze er wel om moesten lachen.

Farag Fouda gaf in eigen beheer zijn boeken uit, die voor een deel door de machtige Al Azhar-universiteit als anti-islamitisch op de index waren geplaatst. Daarmee werden zij verboden leesstof in de wereld van de sunnitische islam. Een paar jaar geleden durfden de gerenommeerde boekwinkels in Kairo, uit angst voor aanslagen, zijn geschriften zelfs niet onder te toonbank te verkopen. Dus besloot Farag Fouda op het trottoir voor een van de boekhandels als verkoper op te treden van zijn eigen werken, die hij onder de kostprijs verkocht. Toen ik hem vorig jaar voor het laatst ontmoette, vertelde hij en passant dat zijn zoon Ahmed (die bij de moordaanslag van maandag in de rug werd geschoten) een eenzame jongen was. Zijn schoolkameraden mochten niet met hem omgaan "omdat Ahmeds vader niet deugde'. Door de voortdurende bedreigingen van fundamentalistische zijde, die Farag Fouda met zijn gebruikelijke spot en gebrek aan zelfmedelijden beschreef, was zijn vrouw in een psychiatrische inrichting beland.

Niettemin weigerde hij, als Egyptisch nationalist, zijn strijd op te geven, hoewel hij in wezen zeer pessimistisch was over het succes ervan op korte termijn. Waarom ging hij dan door? “Omdat ik niet zwijgend kan toezien hoe mijn land en mijn samenleving achteruit gaan, terwijl de hele wereld vooruit gaat.”

De Egyptische overheid stelde zijn activiteiten maar matig op prijs. Zij volgt het voorbeeld van vrijwel alle Arabische regeringen, die het groeiende fundamentalisme nu eens aanmoedigen in hun strijd tegen andere binnenlandse vijanden, en dan weer bestrijden met een politiek van pappen en nathouden. Dat laatste betekent het te vriend houden en het omkopen van zogenaamd "gematigde' fundamentalisten, gecombineerd met zo nu en dan een ferme uithaal, waarbij moord en folteringen niet worden geschuwd.

Zo kunnen de Moslimbroeders in Egypte hun gang gaan, hoewel zij formeel geen politieke partij mogen vormen. Zij zijn "gematigd', zegt de overheid. Dus zendt de door de overheid gecontroleerde televisie dagelijks urenlang hun ideeën uit en verkondigen scholen en moskeeën hun gedachten. Want de overheid, die onzeker van zichzelf is en niet langer beschikt over een ideologie die het volk in de ban kan houden, wil daarmee laten zien hoe godvruchtig - lees: legitiem - zij is.

De openlijk extremistische Gamaat Islamiya, de islamitische groepen die terrorisme prediken en uitvoeren en die de kopten met alle mogelijke geweld bestrijden, worden door de overheid of genegeerd of zo nu en dan krachtig vervolgd. Over de ideologische en daadwerkelijke banden tussen de Moslimbroeders en de Gamaat Islamiya rept de overheid niet, hoewel de Moslimbroeders ook in het verleden over een officiële politieke vleugel en een geheime militaire arm beschikten. Dat alles betekent dat het gif van de radicalen ongestraft wordt doorgegeven aan een bevolking, die voor zeker zeventig procent analfabeet is en ten prooi is aan diepgaande sociaal-economische veranderingen in haar bestaan.

Farag Fouda aarzelde niet deze onverantwoordelijke politiek aan te klagen. Enkele dagen voor zijn dood vroeg hij president Mubarak op de man af tijdens een bijeenkomst met Egyptische journalisten om nu eens een eind te maken aan de wet op de noodtoestand, die sinds de moord op president Sadat in 1981 van kracht is gebleven, en om een begin te maken met het uitvaardigen van wetten tegen het terrorisme van de moslim-radicalen. Opnieuw vonden velen dat hij wel erg brutaal was geweest.

Zijn ongeneerde manier om de fundamentalisten, ja zelfs de geleerden van de Al Azhar-universiteit, belachelijk te maken, was in regeringsogen gevaarlijk en eigengereid. In het Westen moesten de islamitische en Arabische deskundologen en de clubs die vrijheid in de Derde wereld zeggen na te streven, evenmin iets van hem hebben. Zij denken dat hun boterham royaler gesmeerd blijft als ze maar vaagjes oproepen tot meer begrip voor de wereld van de islam - wat voor hen ook betekent: begrip voor de excessen van de islamitische scherpslijpers.

Als kenner bij uitstek van de islam en als landbouweconoom had Farag Fouda alle begrip voor de omstandigheden waaronder het fundamentalisme opbloeit. In een paar zinnen kon hij schetsen hoe in 1965 nog zeventig procent van de Egyptische bevolking op het platteland woonde en nu nog maar dertig procent. Hoe door de interne migratie naar de grote stad, de stedelijke bevolking "verplattelandst' was, maar wel met verlies van haar dorpswaarden. Hoe de externe migratie naar de emiraten aan de Golf niet alleen geld had binnengebracht, maar ook de ideeën van de Golf. Hoe een nieuwe extremistische denkschool, in Pakistan gecreëerd door de radicale denker al-Mawdoodi, predikte dat moslims verplicht zijn de jihad (de heilige oorlog) te voeren tegen mede-moslims, omdat die in feite geen moslims maar heidenen zouden zijn.

Hij kon ook haarfijn de politieke, economische en culturele voorwaarden beschrijven, die het moslim-radicalisme in de kaart spelen. Hij kon dat zo goed doen omdat hijzelf moslim was en erop hamerde dat de moslim-fundamentalisme geen religieus maar een politiek fenomeen is, met als enige bedoeling om onder het mom van de religie de macht te grijpen. Deze ras-liberaal was geen opportunist die praatjes verkocht in dienst van economische en politieke partijbelangen. Daarom kwam hij ook niet met de gebruikelijke goedkope propaganda-verhalen over de schuld van het Westen en/of Israel.

Vele jaren heeft hij zonder succes geprobeerd een waarlijk "nationale' politieke partij te creëren, een seculaire partij die religie en politiek strikt zou scheiden en die moslims en kopten op gelijkwaardige manier met elkaar zou verenigen. Want wat hem betrof, bestond er in Egypte geen liberale partij. Hij was na een knallende ruzie in 1984 uit de zich liberaal noemende Neo-Wafd-partij gestapt, nadat de leiding van de Neo-Wafd - om bij de verkiezingen stemmen te winnen - een informeel bondgenootschap met de Moslimbroeders had gesloten.

De regering voelde echter niets voor een seculaire partij. Seculair is in Egypte synoniem met atheïstisch. En geen regering in Kairo kan atheïsme toestaan. Een maand geleden vertelde Farag Fouda dat president Mubarak hem persoonlijk beloofd had binnen enkele dagen een vergunning voor zijn nieuwe liberale partij - de Partij van de Toekomst - te geven. Maar op de dag van zijn dood was die legalisatie nog steeds niet gekomen.

Nu Farag Fouda vermoord is, jammert het Egyptische establishment en dus ook de Egyptische pers hoe vreselijk het is dat een man die geen enkele politieke of bestuurlijke macht had, alleen om zijn pen en zijn ideeën koelbloedig werd vermoord. Het is een wat late en ook wat hypocriete jammerklacht. Want de moord op Farag was te voorzien. Nog steeds worden de Moslimbroeders niet écht aangepakt. Hun woordvoerder, het geachte parlementslid Maamoun Hodeibi, zei dat de beweging “het incident betreurde”. Maar hij veroordeelde de moord niet. In plaats daarvan beschuldigde hij de regering dat zij de media toestaat “een platform te zijn voor sarcastische en provocerende aanvallen op de islam”.

Dat was een leugen. Want Farag Fouda was een van de oprichters van de Egyptische Organisatie voor Mensenrechten, die nota bene enkele uren voor de moord de arrestatie had gekritiseerd van vijftig Moslimbroeders. Farag Fouda stelde altijd consequent: “Ik bestrijd geen mensen die bidden. Maar ik strijd tegen mensen die de dialoog hebben opgegeven en nu met de kalasjnikov vechten.”

De man die uiterlijk sprekend op een bokser leek en tot elk straatgevecht tegen de fanatici bereid was, ging nog maar enkele maanden geleden tijdens de grote boekenbeurs van Kairo een openbare discussie aan met de fundamentalisten. Alle andere schrijvers die het met hem eens waren, lieten veiligheidshalve verstek gaan. Opnieuw was hij alleen, opnieuw voerde hij zijn oorlog zonder hoop of al te grote verwachtingen, omdat hij het aan zichzelf en aan zijn land verplicht was.

Misschien dat zijn dood de levenden ertoe brengt om met iets meer beleid en moed de strijd aan te binden tegen de Gamaat Zalamiya, de Groepen van het Duister, zoals Farag Fouda de fundamentalisten met een van zijn vele woordspelingen kenschetste. Als dat - tegen alle verwachtingen in - eindelijk werkelijkheid zou worden, zou dr Farag Fouda daarvoor een goede grap hebben gevonden.

Foto: Farag Fouda (Foto Reuter)

Straatgezicht in Kairo. (Foto NRC Handelsblad/Vincent Mentzel)