Directeur Zalm: Nederland moet kiezen tussen Darwin en Kafka; Kritiek van Planbureau op stelsel van sociale zekerheid mondt uit in drie scenario's voor komende 25 jaar

DEN HAAG, 11 JUNI. Het Centraal Planbureau is in de aanval. Sinds prof. drs. Gerrit Zalm directeur werd moet de Nederlandse welvaartstaat het steeds vaker ontgelden. De gunstige effecten van een lager minimumloon werden door het CPB breed uitgemeten (te breed zelfs, bleek achteraf), evenals die van een ministelsel in de sociale zekerheid. Van het algemeen verbindend verklaren van CAO's door de overheid is Zalm een verklaard tegenstander. En vandaag publiceerde het CPB een toekomstrapport vol kritiek op de Nederlandse verzorgingsstaat: "Nederland in drievoud, een scenariostudie van de Nederlandse economie 1990-2015'. Het borduurt voort op de aanpak van "Scanning the future' (het in mei gepubliceerde rapport waarin de wereldeconomie werd verkend) en bevat drie scenario's die, hoe uiteenlopend ook, eenzelfde boodschap uitdragen: het huidige stelsel van sociale zekerheid is te royaal en stuit op grenzen.

Is het CPB een kruistocht tegen de verzorgingsstaat gestart?

“Nee, zeker niet”, antwoordt Zalm. Geen kruistocht, maar wel kritiek. “In de Westeuropese welvaartstaat wordt de laaggeschoolde werkzoekende buiten de arbeidsmarkt geplaatst. En in Nederland zie je dat in vrij extreme mate, zoals blijkt uit het grote aantal laaggeschoolden in de WAO en de WW.”

Galbraith heeft de welvaartsstaat een teken van beschaving genoemd. U legt daarentegen minder nadruk op het succes maar meer op de feilen.

“In deze studie is er ook veel waardering voor de rol van de overheid, bijvoorbeeld voor de infrastructuur en het onderwijs. Die komen nu in de VS in het gedrang. Maar in de welvaartsstaat is die overheidsrol overontwikkeld. De vraag is: zetten we die laaggeschoolden voor altijd aan de kant, of niet?”

De CPB-kritiek mondt uit in drie scenario's: "global shift', met voor Nederland een laat-maar-waaien-variant waarin de huidige goede voornemens stranden en door sociale partners worden verijdeld, tot uiteindelijk, omstreeks het jaar 2005, de wal het schip keert en fors in de uitkeringen moet worden gesneden; "European renaissance', met voor Nederland een streng-maar-rechtvaardig-variant waarin controle en eisen worden aangescherpt, met een lagere bijstand voor alleenstaanden, met als gevolg dat de overige uitkeringen op peil kunnen blijven; en tenslotte "balanced growth', met voor Nederland een revolutionaire derde variant, waarin WAO en WW na twee jaar dalen tot bijstandsniveau en de uitkeringen stapje bij beetje plaatsmaken voor een basisinkomen voor alle volwassenen, werkend of niet. Dit is dus de individualisering ten top.

Zalm wijdt het liefst uit over "European renaissance'. “Door een hoger arbeidskostenforfait - de belastingaftrek voor werkenden, KC - wordt daarin het netto minimumloon niet langer aan de netto uitkeringen gekoppeld. Die netto-netto-koppeling kennen andere landen niet. Bovendien gaat in dit scenario de bijstand voor alleenstaanden omlaag van 70 naar 60 procent van het minimumloon. Verder komt er in de bestuurlijke verhoudingen in dit scenario meer discipline. Als gemeenten de bijstand beter controleren hoeven ze de financiele "winst' niet langer aan het rijk af te dragen. Zo krijg je over de tijd toch een stevige aanpak.”

Een volledige individualisering van de sociale zekerheid (uitkering onafhankelijk van partnerinkomen) blijkt in dit scenario onhaalbaar. De kosten lopen te hoog op. Toch is er hoop voor neo-liberalen, zo blijkt uit het scenario "balanced growth'. Want daarin leidt de individualisering er uiteindelijk toe dat iedere volwassene, werkend of niet-werkend, een basisinkomen krijgt.

Dat basisinkomen stijgt geleidelijk tot het na 25 jaar de koopkracht heeft van de bijstand die een alleenstaande in 1990 ontving (ruim 1100 gulden per maand). Maar de overige uitkomsten zijn dan inmiddels wel zo ongeveer verdubbeld. De bijstandsmoeder die niet kan werken gaat er dus relatief fors op achteruit. Dat geldt ook voor de "echte' arbeidsongeschikte, want die krijgt nog maar twee jaar een WAO-uitkering en valt dan terug op de bijstand. Na 25 jaar bestaat ook die niet meer en krijgt hij nog slechts, net als iedereen, het basisinkomen. Veel grotere inkomensverschillen, dus.

Zalm erkent dit, maar voegt daar onmiddellijk aan toe dat in dit scenario het ouderdomspensioen AOW wèl met de welvaartsgroei omhoog gaat, en zelfs iets meer dan dat. “Dat geeft al aan dat we niets tegen sociale zekerheid hebben.” En de voordelen van een basisinkomen zijn niet mis te verstaan. Zalm: “Nu wordt de alimentatie die een bijstandsmoeder ontvangt afgeboekt op haar bijstand. Bij een basisinkomen is dat niet meer zo. En als zij gaat werken rendeert elk uur. Dat maakt werken veel aantrekkelijker dan nu vaak het geval is. Je maakt een eind aan de armoedeval. De crux van het basisinkomen zit natuurlijk in de hoogte. Hoe hoger het is, hoe hoger de belastingtarieven, want het moet wel worden gefinancierd. Wij houden het daarom op een sober basisinkomen, waarbij de marginale belastingtarieven toch lager zijn dan nu.”

Het basisinkomen was tien, vijftien jaar terug een populair idee bij Groen Links, maar toen de WRR berekende dat het niet veel hoger dan 600 gulden per maand kon zijn nam de animo snel af. Toch komt het CPB er nu opnieuw mee voor de dag. Waarom?

“We keken eerst naar het ministelsel, waarbij je alleen nog uitkeringen op bijstandsniveau hebt. Maar de uitvoerings- en controleproblemen blijven dan bestaan, terwijl je met een sterke individualiseringtrend te maken hebt. Het basisinkomen daarentegen past heel goed in de filosofie dat je belemmeringen om te gaan werken weg moet nemen. Het is een idee van grote eenvoud en grote schoonheid.

Het gaat erom dat je moet kiezen. In "European renaissance' kies je voor een Zweedse benadering, met strenge eisen en controle. Het gevaar van Kafka-achtige toestanden is dan niet denkbeeldig. In "balanced growth' kies je niet voor Kafka maar voor Darwin. Individuen worden financieel geprikkeld en hun inspanning wordt beloond.''

Maar filosofisch is de kloof tussen een overheid die als vangnet fungeert en een overheid die iedereen van een basisinkomen voorziet toch enorm?

“Zeker. Je krijgt een drastische breuk met onze sociale traditie en ons sociaal erfgoed. Een vrij stevige wending, minder sociaal en meer markt. Een ministelsel daarentegen is wat we nu hebben maar dan wat minder.”

Tenslotte is er het 'rampenscenario' Global Shift. Het volumebeleid in de sociale zekerheid (strengere eisen, meer controle, betere arbeidsbemiddeling) loopt stuk. Tussen 1990 en 2005 stijgt de collectieve lastendruk van 52 tot 63 procent van het nationale inkomen. Als er meer dan twee miljoen inactieven zijn barst de bom en gaan de uitkeringen drastisch omlaag. Een voorbeeld van ongeremd doemdenken? “Nee,” zegt Zalm. “Als ik de Gemeenschappelijke Medische Dienst hoor lijkt het alsof een stukje van dit scenario nu al in werking is getreden. Het GMD zegt dat vrijwel alle volledig arbeidsongeschikten niets meer kunnen, dat een ruimer begrip van passende arbeid bijna niets oplevert. Dan kun je een goed volumebeleid wel vergeten.”

Dit alles leidt ogenschijnlijk tot heldere resultaten. In "balanced growth' zijn er in 2015 nog "slechts' 600.000 arbeidsongeschikten en 200.000 werklozen. In "European renaissance' liggen die getallen al een stuk hoger: 750.000 arbeidsongschikten en 400.000 werklozen. "Global shift' spant de kroon: na de eeuwwisseling telt Nederland in dit scenario 1.250.000 arbeidsongeschikten en 750.000 werklozen (omdat daarna het mes in de sociale zekerheid wordt gezet liggen de getallen in 2015 alweer een stuk lager).

Maar is die helderheid niet schijn? In "balanced growth' groeit de wereldhandel in 1990-2015 met 6,4 procent per jaar (tegen 4,5 procent in 1974-1990), in "European renaissance' met 5,2 procent en in 'global shift' nog slechts met 3,8 procent.

Met zo'n lage economische groei stuit het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid al snel op grenzen.

“We hebben berekend dat zowel door de lagere overheidsuitgaven als door de hervorming van de sociale zekerheid in 'balanced growth' de lonen minder stijgen, en de werkgelegenheid meer. Het precieze effect van de wereldhandel op de uitkomsten van de verschillende scenario's is moeilijker vast te stellen. Dat zou de constructie vergen van nieuwe scenario's.”

Als "balanced growth' een breuk met het verleden is, dan heeft 'European renaissance' iets weg van een terugkeer naar de jaren vijftig. De overlegeconomie floreert, we staan allemaal voor één zaak.

“Ja. Je kunt natuurlijk altijd proberen of het lukt, maar zo niet, dan zit je met de blaren. Als je ziet wat er nu terechtkomt van afspraken over de tewerkstelling van minderheden en laaggeschoolden, dan ben ik over die overlegeconomie niet optimistisch.”