Dierproeven blijven noodzakelijk

In vitro testsystemen zouden volgens actiegroepen een alternatief vormen voor dierproeven. Maar helaas is dat nog niet zo. Voorlopig zal verhoging van de eigen veiligheid afgewogen blijven worden tegen het leed van proefdieren.

In de afgelopen decennia is men steeds hogere eisen gaan stellen aan de veiligheid van chemische stoffen. De stoffen variëren van geneesmiddelen, industriële chemicaliën tot huishoudelijke schoonmaakmiddelen en verven. Stoffen dus waaraan specifieke groepen worden blootgesteld, maar ook het algemene publiek en het milieu.

Onder druk van actiegroepen en later politieke partijen en vakbonden heeft de overheid steeds strengere regels gesteld. Zo moet voor registratie van stoffen een uitgebreid dossier ingeleverd worden, voordat ze op de markt mogen worden gebracht. Dit vereist een zogenaamd veiligheidsonderzoek, waarbij een schatting gemaakt moet worden van het risico voor hen die aan een stof worden blootgesteld.

Uiteraard verschillen de eisen voor de verschillende categoriën stoffen. Als het gaat om een geneesmiddel kunnen de voordelen en de nadelen voor de patient tegen elkaar afwogen worden. Voor een ernstige ziekte, bijvoorbeeld kanker, kan meer risico geaccepteerd worden dan wanneer het gaat om een lichte allergische aandoening. Bovendien krijgt alleen de patiënt zo'n stof toegediend, en lopen de familieleden en omstanders geen gevaar.

Wanneer het om een bestrijdingsmiddel gaat, moet ook het milieu in de schadebeoordeling betrokken worden, en worden misschien veel mensen blootgesteld die daar geen direct voordeel van hebben.

Een dergelijk veiligheidsonderzoek vereist dierproeven. Naarmate de eisen strenger worden, moet het onderzoek uitgebreider zijn, moeten er veel meer stoffen worden onderzocht en moeten dus meer dierproeven worden gedaan. Kortom, veiliger stoffen vormen een maatschappelijke wens, maar deze wens vergt wel steeds meer dierproeven.

Op het eerste gezicht lijkt het probleem mee te vallen. Tegenwoordig roepen veel mensen dat we vandaag de dag veel kunnen doen zonder dierproeven. Maar is dat ook werkelijk zo?

In vitrosystemen

De afgelopen jaren hebben de dierproef-vrije, zogenaamde in vitro testsystemen inderdaad een grote vlucht genomen. In brede kring wordt dat gezien als een goede ontwikkeling. Het aantal proefdieren dat bij toxicologisch onderzoek gebruikt wordt zal daardoor afnemen, zeker op termijn. Er zijn zelfs optimisten die menen dat de tijd waarin we verantwoord veiligheidsonderzoek kunnen doen zonder proefdieren te gebruiken binnenkort zal aanbreken. Het enige dat hoeft te gebeuren, aldus deze mensen, is nog enige tijd wat extra geld stoppen in onderzoek naar dierproefalternatieven, en dan zal het zover zijn. Onder hen bevinden zich ook toxicologen, zij het dat zij dit optimisme meestal in wat gematigder vorm uitstralen.

Is dit optimisme nu echt gerechtvaardigd? Of houden genoemde toxicologen de leek, de geïnteresseerde samenleving inclusief kamerleden en andere politiek betrokkenen, gewoon voor de gek - bijvoorbeeld om wat extra geld te krijgen voor onderzoek?

Waarop is dit optimisme nu gestoeld? Ik denk vooral op de verwachtingen die gewekt werden in de tijd waarin de Ames-test op mutagenese ontstond, in de jaren zeventig. Met de Ames-test kan men veranderingen vaststellen van de erfelijke eigenschappen die optreden als gevolg van een interactie tussen een chemische stof en het DNA van de bacterie ("mutagenese'). Er zijn inderdaad sterke aanwijzingen dat in veel gevallen kanker ontstaat als gevolg van dergelijke mutaties. Deze test zou het dus mogelijk maken, dachten velen toen, om heel snel en zonder proefdieren vast te stellen of een stof kankerverwekkend ("carcinogeen") zou kunnen zijn: een simpel testje op bacterieën en een hele carcinogeniteitstest bij proefdieren was niet meer nodig.

En dat was, zo dacht men, nog maar de eerste stap. Spoedig zouden we beschikken over cellijnen die, buiten dieren om, eeuwig kunnen doorgroeien in de reageerbuis. Met deze cellijnen kunnen we vaststellen hoe alle stoffen in het lichaam worden omgezet tot afbraakprodukten ("metabolieten'). In veel gevallen zijn juist de metabolieten het meest toxisch.

Een voorbeeld. De carcinogene werking van benzpyreen uit sigarettenrook is niet het gevolg van benzpyreen zelf, maar van een heel speciale metaboliet van benzpyreen, die in feite maar een minieme fractie van de dosering vertegenwoordigt.

Als je nu de biotransformatie van stoffen voor de mens kunt voorspellen op grond van dit soort onderzoek aan cellijnen, dan hoef je daar geen verder onderzoek in proefdieren naar te doen. En als een cellijn niet gewillig is dan bouwen we wel even bepaalde enzymen in met behulp van moleculair biologische routinemethoden, zodat we een keurig gedresseerde cellijn bezitten, die doet wat we willen. Kortom een circus met vele moleculair biologische hoogstandjes staat klaar om ... ja, waarvoor eigenlijk? Voor diervervangend veiligheidsonderzoek?

Volstrekt onbetrouwbaar

Helaas, de werkelijkheid is weerbarstig. Zo is de Ames-test de best onderzochte in vitro test die ooit is bedacht. Toch blijkt de conclusie onontkoombaar: het is een nuttige test voor de mutagene eigenschappen van een stof en enkele metabolieten, maar hij is volstrekt onbetrouwbaar als het gaat om te voorspellen of een stof voor de mens carcinogeen is. Alleen in combinatie met andere gegevens, waaronder vooral dierproeven, wordt een voorspelling min of meer betrouwbaar.

Zou het de testbatterijen van cellijnen of celsuspensies waar nu over gesproken wordt, echt beter vergaan, terwijl we in feite nog veel minder goed weten wat we in die testen eigenlijk meten? Tegenwoordig worden er wereldwijd grote aantallen nieuwe in vitro testsystemen bedacht. Het probleem is dat het heel gemakkelijk is om een test te bedenken, maar dat het veel moeilijker is om vast te stellen dat die test ook echt meet wat je wilt weten. Daardoor zitten we nu met talloze onrijpe testen. We kunnen er zo goed als niets mee in het routine-veiligheidsonderzoek. Heeft dat in vitro onderzoek dan enig nut?

De echte kracht van in vitro onderzoek zit vooralsnog in de toepassing in het onderzoek naar mechanismen - in fundamenteel en niet in toegepast onderzoek. We zien dan ook dat heel veel onderzoeksgroepen in vitro technieken toepassen, eenvoudigweg omdat de voortgang van het eigen onderzoek dit vereist: als je wilt begrijpen wat er op moleculair niveau gebeurt moet je wel dit soort proeven doen.

Geen optimisme

Op dit moment is dan ook nog geen optimisme gewettigd over de toepasbaarheid van alternatieven voor dierproeven voor veiligheidsonderzoek. Het is van groot belang dat het onderzoek op het gebied van in vitro alternatieven voortgaat, maar dan vooral vanuit een oogpunt van kwalitatief goed onderzoek. Onderzoek waarbij de doelstelling primair is om testjes te bedenken brengt ons niet verder, evenmin als onderzoek waarbij onrijpe testen op grote schaal worden getoetst met grote aantallen stoffen om te kijken hoe betrouwbaar de test is (validatie). Dit leidt tot het besteden van veel geld voor een in de meeste gevallen nutteloze zaak.

Dierproeven zijn op dit moment onmisbaar in het veiligheidsonderzoek. Alleen als de samenleving bereid is meer onzekerheid te accepteren bij nieuwe chemische stoffen, kan het proefdiergebruik worden teruggedrongen.

Het recente voorstel van de FNV om veel meer stoffen te testen op vruchtbeschadigende werking zou dan ook alleen uitgevoerd kunnen worden door middel van veel dierproeven.

Bij het nemen van een beslissing hierover moet men twee zaken tegen elkaar afwegen: het risico dat de werknemers echt lopen en het aantal proefdieren dat men wenst in te zetten om dat risico te verkleinen. Aan een dergelijke keuze valt niet te ontkomen.

Deze keuze is van politieke aard, of zo men wil ethisch. De keuze ontlopen door uit te wijken naar in vitro is niet mogelijk. Voordat proefdiervrij veiligheidsonderzoek een betrouwbaar antwoord kan geven is nog heel veel onderzoek nodig.