De religieuze factor

Anne Bert Dijkstra. De religieuze factor - Onderwijskansen en godsdienst: een vergelijkend onderzoek naar gereformeerd-vrijgemaakte scholen. ITS, Nijmegen, 1992. f39,00. ISBN 90 6370 865 3

In de eerste helft van de jaren tachtig vond in gereformeerd-vrijgemaakte kring een discussie plaats over de toekomst van het eigen onderwijs. Sinds het kerkelijk conflict waaruit in de jaren veertig de gereformeerd-vrijgemaakte kerken zijn ontstaan, was het jonge kerkgenootschap sterk gegroeid. Zo'n honderdduizend leden hadden inmiddels eigen scholen, een eigen politieke partij (het GPV), een eigen vakvereniging, een eigen dagblad en zelfs een eigen reisvereniging opgericht en de vraag was nu of dankzij dit gesloten netwerk gereformeerd-vrijgemaakte scholen het beter deden dan andere scholen - en zo nee, wat er dan moest gebeuren.

Menig deelnemer aan de discussie meende dat het gereformeerd-vrijgemaakte onderwijs geen ongelijke onderwijskansen kende. Arbeidszin, discipline en persoonlijke verantwoordelijkheid waren waarden die met een verwijzing naar de bijbelse parabel over de talenten in elk gereformeerd-vrijgemaakt gezin hoog stonden aangeschreven. Het leed in de ogen van dit deel van de discussianten geen twijfel dat kinderen die op andere scholen al snel achter zouden lopen, op gereformeerd-vrijgemaakte scholen het onderste uit de kan haalden.

Er waren er ook die een andere mening waren toegedaan, maar zij waren in de minderheid. Onder anderen mensen die bij het Landelijk Verband van Gereformeerde Schoolverenigingen of bij het Gereformeerd Pedagogisch Centrum werkten hadden zo hun twijfels. Zij waren op de hoogte van het omvangrijke onderzoek naar door afkomst en milieu bepaalde onderwijsachterstanden - een door de jaren heen en tegen alle projecten in hardnekkig gebleken fenomeen. Maar een pleidooi om gereformeerd-vrijgemaakte scholen met veel arbeiderskinderen aansluiting te laten zoeken bij de onderwijsvoorrangsgebieden (waarin zulke scholen extra geld en ondersteuning krijgen), hielden zij vooralsnog niet.

Vorige week promoveerde Anne Bert Dijkstra op een onderzoek naar de schoolprestaties van gereformeerd-vrijgemaakte kinderen, en meer in het bijzonder naar het verband tussen deze prestaties en het sociale milieu van de gezinnen waar de kinderen uit afkomstig zijn. Het blijkt dat gereformeerd-vrijgemaakte kinderen het op school niet beter doen dan andere Nederlandse kinderen. De invloed van afkomst en milieu op hun schoolprestaties is onmiskenbaar.

Voor zijn onderzoek heeft Dijkstra, zelf ook gereformeerd-vrijgemaakt, behalve de literatuur over onderwijsachterstanden onder meer ook die over "functional communities' doorgenomen. "Functional community' is een door de bekende Amerikaanse onderwijssocioloog J.S. Coleman ontwikkeld begrip dat verwijst naar het leven in kleine stadjes op het Amerikaanse platteland van de jaren vijftig. In zulke "middletowns' hadden ouders van schoolgaande kinderen onderling veel contact. Ze kenden elkaars kinderen, de leraren op school en de leider van de sportclub. Vaak gingen ze naar dezelfde kerk en deelden ze dezelfde waarden en normen.

Volgens Coleman kwamen "functional communities' vooral kinderen uit de lagere sociale milieus ten goede: het gesloten netwerk en de dominante ("middle class') waarden en normen zouden de gebrekkige culturele en sociale hulpbronnen van de lagere milieus compenseren. Het wegvallen van de "functional communities' heeft, aldus Coleman, vooral de zwakkere leerlingen op de openbare scholen getroffen. "Private schools' zouden zich tot op zekere hoogte nog steeds laten typeren als "functional schools'.

De bevindingen van Coleman en zijn volgelingen leken aan te sluiten bij het idee dat gereformeerd-vrijgemaakte scholen geen ongelijke onderwijskansen kennen. Ook Dijkstra, oorspronkelijk in het kamp van de critici, neigde steeds meer naar de andere kant, ook al omdat Nederlands onderzoek naar de verschillen tussen openbare, katholieke en protestants-christelijke scholen in dezelfde richting wees: over het algemeen presteren leerlingen op christelijke scholen net iets beter dan die op openbare.

Zijn verbazing was dan ook groot toen de resultaten van het onderzoek naar de schoolprestaties van gereformeerd-vrijgemaakte kinderen naar buiten kwamen. Het bleek dat zij in vergelijking met andere leerlingen weliswaar minder vaak in het lager beroepsonderwijs terecht kwamen, vaker overstapten naar een hogere schoolsoort en minder vaak bleven zitten, maar deze effecten werden teniet gedaan doordat zij tegelijk minder vaak naar de HAVO of het VWO gingen, ook vaker overstapten naar een lágere schoolsoort en op het onderdeel rekenen van de Cito-toets aan het einde van de basisschool slechter presteerden.

Voor het vele overstappen naar een andere schoolsoort lag de verklaring voor de hand: de meeste van de 19 gereformeerd-vrijgemaakte scholen voor voortgezet onderwijs zijn MAVO's. Veel kinderen met een LBO- of HAVO-advies doen hier de eerste klas, soms zelfs de eerste twee klassen.

Ook voor de relatief geringe deelname aan het LBO had Dijkstra al snel een verklaring gevonden. Deels was dit waarschijnlijk te danken aan de beter dan gemiddelde sociaal-economische status van gereformeerd-vrijgemaakten (er zitten weinig ongeschoolde arbeiders bij), deels aan het "functional community'-karakter van de gereformeerd-vrijgemaakte gemeenschap - die immers vooral kinderen uit de lagere sociaal-economische milieus ten goede zou komen. Ook het weinige zittenblijven zou met de theorie van Coleman verklaard kunnen worden.

Wat dan overblijft is het gegeven dat kinderen op gereformeerd-vrijgemaakte scholen het in feite slechter doen dan kinderen op andere christelijke scholen. Hun relatief gunstige uitgangspositie - weinig arbeiderskinderen, een iets hogere score op intelligentietesten aan het einde van de basisschool en een "talige cultuur' in de vorm van veel bijbellezen, catechisatie en jeugdverenigingen - heeft niet het effect dat men ervan zou mogen verwachten.

Het nadeel van veel proefschriften is dat zij ophouden op het moment dat de materie interessant wordt. De vraag naar het waarom van de uitkomsten zou vaak minstens nog een proefschrift vergen, en veel slothoofdstukken eindigen met de aanbeveling vervolgonderzoek te doen. Ook Dijkstra moest het hierbij laten. Tegelijk heeft hij in zijn stellingen een gedurfde hypothese geformuleerd - waar het Landelijk Verband van Gereformeerde Schoolverenigingen goed mee uit de voeten zal kunnen.

Volgens Dijkstra hebben katholieke en protestants-christelijke scholen hun betere prestaties waarschijnlijk minder aan hun christelijke karakter dan aan hun aandacht voor de kwaliteit van het onderwijs te danken. Omdat levensbeschouwing voor ten minste de helft van de Nederlanders een leeg begrip is geworden, is het goed denkbaar dat katholieke en protestants-christelijke scholen uit concurrentie-overwegingen hun prioriteiten hebben verlegd. In plaats van bijzonder onderwijs, geven ze nu bijzonder goed onderwijs.

Gereformeerd-vrijgemaakte scholen hebben geen concurrenten - door de gemiddelde gezinsgrootte van vijf kinderen groeien zij zonder er iets voor te hoeven doen. Het gevolg is dat kinderen met een verhoudingsgewijs betere uitgangspositie, er geen betere resultaten boeken.

Het proefschrift is al goed gelezen. Volgens een woordvoerder van het Landelijk Verband van Gereformeerde Schoolverenigingen kan het gereformeerd-vrijgemaakte onderwijs ""nu niet meer de kop in het zand steken''.