Christina - de Tweede

Heeft prinses Marijke, toen ze indertijd te kennen gaf voortaan als Christina door het leven te willen, dat alleen gedaan omdat ze haar eerste naam te tuttig vond? Of voelde ze toen al een zekere lotsverbondenheid met een luisterrijke naamgenoot, een Zweedse?

Nu prinses Christina zich ook letterlijk heeft laten omdopen (althans omvormen), gaan veler gedachten uit naar die andere Christina, koningin van Zweden, die immers ook afstand deed van haar rechten op de troon en later het katholieke geloof omarmde. In beide gevallen gaat het bovendien om telgen uit protestantse geslachten, tot roem en grootheid gekomen in de strijd tegen vreemde roomse overheersers.

De vader van de eerste Christina was niemand minder dan de grote Gustaaf II Adolf, de Leeuw van het Noorden en kampioen van de protestantse zaak in de meest turbulente jaren van de Europese godsdienststrijd. Na zijn vroege dood in de herfst van 1632 op het slagveld van Lützen kwam de Zweedse kroon aan zijn dochter. Dochter? Al direct na haar geboorte bestonden er twijfels aangaande haar geslacht, en ook later deden daarover de wildste geruchten de ronde. Die werden zeker gevoed door het mannelijk gedrag en uiterlijk van de vorstin - alleen haar dikke billen werden alom als zéér vrouwelijk geprezen - en vooral door haar onbekrompen seksuele voorkeuren. “Haar liefdeleven was ongemeen woest en liederlijk”, schreef een toch niet zeer preutse Nederlandse historicus in 1957. Dat vonden de tijdgenoten ook, terwijl men van personen van Christina's rang toch veel gewend was.

Als koningin was Christina geen onverdeeld succes. Kwaliteiten had ze te over: ze ging om met het puikje van intellectueel Europa, en ook in de staatkunde was ze niet onbegaafd. Maar daar stond veel lelijks tegenover. Christina was wispelturig, onevenwichtig, soms wreed en altijd buitensporig spilziek.

Niet al haar onderdanen waren er dan ook rouwig om toen ze in 1654 afstand van de troon deed en terstond het land verliet, temeer niet toen ze nog in het zelfde jaar overging tot het roomse geloof. Op kerstavond woonde ze in Brussel haar eerste mis bij. Het werd een onstichtelijke vertoning. De vorstin maakte zich uitbundig vrolijk over de paapse parafernalia en rituelen, en op het hoogtepunt van de plechtigheid luchtte ze zelfs haar gemoed in een luidruchtige lachbui.

Het volgende jaar vestigde ze zich in Rome, maar ook daar bleef ze aanstoot geven door haar politieke intriges en erotische escapades; dat ze het langdurig hield met een kardinaal werd haar nog het minst aangerekend. Ook tijdens kerkelijke plechtigheden bleef ze zich misdragen. Ze weigerde categorisch te knielen (zoals meer ex-protestantse neofieten) en zat zelfs tijdens de consecratie te wauwelen met vriendjes, ook gedurende door de paus zelf opgedragen missen. Dolle pret bezorgde haar de roomse relikwieëncultus, en volgens sommige bronnen kon ze het eens niet laten om tijdens een preek en in het zicht van de predikant haar rokken op te trekken en haar dijen te spreiden.

Dat duidt allemaal niet op overdreven geloofsijver, en er is dan ook heel wat afgespeculeerd over wat Christina toch tot haar dubbel ongebruikelijke stap van abdicatie en bekering kan hebben bewogen. Vrome overtuiging en bijzondere inwerkingen van de Heilige Geest, prevelden de katholieken. Paaps gekuip en gekonkel, provoceerzucht of pure verdwazing, verzuchtte het andere kamp. In een recente studie heeft een geleerde Zweedse uiteengezet dat Christina's beweegredenen toch wat complexer waren: ze verklaart haar handelwijze uit de neoplatonistische, neopythagoreïsche, neostoïcijns panprotestantse ideeënwereld waarin de jonge koningin verkeerde. Jawel. Van een werkelijke bekering was eigenlijk geen sprake; vandaar misschien die baldadigheden.

Al met al niet zo'n stichtelijk voorbeeld voor onze prinses. Maar de tijden zijn veranderd, en háár motieven zullen wel wat eenvoudiger zijn geweest.

Tekening: Koningin Christina, naar een gravure uit haar tijd