Brieven

In de hitte van de strijd laat men van tijd tot tijd een steekje vallen.

Zo werd hier op 21 mei bij een bespreking van het typische verschil in klank dat warm en koud water in een gootsteen opwekt al te losjes beweerd dat Minnaert in zijn "Natuurkunde van 't vrije veld' geen aandacht besteedt aan klankverschillen die uit temperatuurverschillen voortkomen. Dat is niet juist. In het deel dat de geluiden der natuur behandelt wijst Minnaert juist op de mooie waarneming dat men elkaar over een open kampvuur nauwelijks verstaat door de typische buiging van het geluid in de hete lucht. Nu begrijpt men opeens waarom een treffen rond het kampvuur zo makkelijk in geschreeuw ontaardt. Anderen voegen hier nog de waarneming aan toe dat het verkeerslawaai van snelwegen sterk fluctueert met de temperatuur van de bodem. 's Nachts en 's ochtends zou het geluid zeer ver dragen, in de loop van de dag zou het steeds meer van de waarnemer worden afgebogen en dus zachter klinken. (Dit natuurlijk ontdaan van windeffecten en een voor de hand liggende psychologische vertekening.)

Zo zou, volgens een lezer, ook de invloed van grote wateroppervlakken op de voortplanting van geluid sterk afhankelijk zijn van het temperatuurverschil tussen dat water en de bovenstaande lucht. Tezijnertijd zal de sectie AW hier de resultaten van in situ-metingen aan toevoegen. Theorie is maar theorie.

Het artikel over dauw (30 april), waarin de stelling werd geopperd dat veel "dauw' op gras en ander gewas waarschijnlijk helemaal niet uit condens bestaat maar uit vocht dat de planten zelf naar buiten persen (zogeheten "guttatie'), wordt geïllustreerd door een lezeres die tot haar verbazing een boeket fluitekruid zó heftig zag gutteren dat zij een dweil onder de vaas moest leggen.

Een lezer in Zwolle geeft de stelling, onbedoeld, verdere steun met zijn waarneming dat hij van bedauwd gras eerder natte voeten krijgt dan van beregend gras. 's Ochtends moet hij per se met rubber laarzen de wei in, 's middags na een regenbui volstaan leren schoenen om de sokken droog te houden. Het kan zijn dat regen door zijn kracht minder druppels op de planten achter laat, maar verleidelijk is de stelling dat guttatievocht (dat ongetwijfeld mineralen en assimilatieprodukten van de plant bevat) een lagere grensvlakspanning (oppervlaktespanning) bezit dan regenwater of echte dauw. De meeste stoffen die men aan water toevoegt verlagen daarvan de oppervlaktespanning, het is een zeldzaamheid als zij die spanning verhogen, al is dat nu net met zoiets als keukenzout het geval. (Aldus, in een telefonisch college, prof.dr. G. Frens van de faculteit scheikundige technologie in Delft.) Water waarvan de oppervlaktespanning is verlaagd zal makkelijker door kieren en gaatjes naar binnen treden.

Intrigerend is de ervaring van R.B. te R. die vroeger op de Rijnvaart werkte. Hem is het zogeheten "dauwspoelen' bijgebleven als regelmatig terugkerend tijdverdrijf. De schipper van de Kempenaar waarop hij voer droeg hem na heldere nachten steevast op de zwaar bedauwde dekluiken met Rijnwater af te spoelen, dan zouden ze aanzienlijk sneller drogen. Ook hier lijkt de verklaring te moeten komen van de geringere oppervlaktespanning van het rivierwater, het is immers nauwelijks aan te nemen dat dauwwater slechter verdampt dan rivierwater.

Op een artikel over het opbollen van het zeildoek van zogeheten "huifwagens' (9 april) kwam, zoals al eerder vermeld, een brief van een gewezen zee-officier uit Den Haag die vroeger op de kruisers Hr.Ms. De Ruyter en De Zeven Provinciën had gevaren. Het verblijf in de open lucht op de "brugvleugels' was, schreef hij, bij harde wind en regen minder onaangenaam dan men zou denken omdat onder de verschansing van de brugvleugels, maar op enige afstand daarvan, lange platen waren aangebracht die de wind zó gunstig geleidden dat men erachter bijna altijd zowel luw als droog stond. Een verzoek om wat meer informatie over dit simpele hulpmiddel leverde een reeks zorgvuldig geïllustreerde brieven op van andere zee-officieren. De bijgaande schets is van H. de Graaf, oud gezagvoerder van de Nedlloyd.

Zo "gewoon' was kennelijk door de jaren heen de aanwezigheid van de platen en zó gering hun aanzien dat men er niet toe gekomen is een vaste naam voor het middel af te spreken. De verschillende schrijvers hebben het nu eens over windschilden, dan over windschermen en windgeleideplaten en soms over windbrekers. De indruk is dat de windbrekers pas na de zeiltijd zijn ingevoerd (een deel van de briefschrijvers heeft die tijd nog meegemaakt) omdat op een zeilschip masten en zeilen al voldoende beschutting boden. Vooralsnog lijkt het erop dat de windgeleideplaten pas in de jaren dertig opdoken. Een oud-kapitein in Baarn herinnert zich hoe ze aanvankelijk niet veel meer waren dan houten kleppen op de rand van de (houten) brugvleugel die desgewenst omhoog konden worden gezet. Die kleppen misten het typische venturi-effect (de zuiging door trechterwerking) van de meer moderne schilden en daarom was een schuilhokje op het eind van de brugvleugel meer dan welkom.

Uit de houten kleppen, of onafhankelijk daarvan, ontstonden de zogeheten schuilkleedjes: stukken zeildoek die ""met een marlsteek aan een rail aan de voorkant van de brugvleugel waren bevestigd en door verticale lijntjes omhoog werden gehouden'', zoals De Graaf tekende. In feite, schrijft De Graaf, gaven ze veel meer bescherming dan de latere platen omdat ze tot op neushoogte kwamen. Ze hadden het bezwaar dat ze bij aankomst en vertrek moesten worden weggehaald om behoorlijk zicht op schip en kade te krijgen. De Graaf bewaart goede herinneringen aan de tijd dat hij, half hangend in het schuilkleedje met een mok warme koffie in de hand, de wind over zich heen hoorde gieren.