Amerikaanse crises zijn ook een Europese zorg

Ten tijde van de Koude Oorlog was het in het Nederlandse Randstad-Foreign-Policy-Establishment niet "bon ton' om al te veel kritiek op de Amerikaanse bondgenoot te hebben. Veroordeling van het Latijns-Amerikabeleid in de jaren vijftig (Guatemala) van het Vietnambeleid in de jaren zestig, kritiek op de politieke stijl van Nixon (Watergate) in de jaren zeventig en het sociaal reactionaire en de bewapening opvoerende beleid van Reagan in de jaren tachtig, werd al gauw bestempeld als fellow-traveling of erger.

De keuze was Amerika of Moskou, en wie de grote bondgenoot kritiseerde of, nog erger, tegen aspecten van zijn beleid demonstreerde, kreeg al gauw te horen dat hij Moskou in de kaart speelde en "gevaarlijk links' was.

De Koude Oorlog is voorbij. De Sovjet-tegenstander is ingestort. Iedereen heeft de loopgraven kunnen verlaten en een blik om zich heen kunnen werpen. Daarbij kon men niet anders dan waarnemen dat de Verenigde Staten, volgens sommigen met hun vorm van kapitalisme de overwinnaar van de Koude Oorlog, in een staat verkeerden die beter aansloot bij wat de vermaledijde critici hadden gezien dan bij de status van leider van het democratische Vrije Westen.

Dit is vooral ernstig als waar is wat J.L. Heldring een half jaar geleden boven een van zijn columns zette: "Zonder Amerika gaat het niet'. Als Europa zijn problemen zonder Amerikaanse leiding niet de baas kan worden. Problemen die van aard mogen verschillen met die uit het tijdperk van de Koude Oorlog, maar die, gezien Joegoslavië, Moldavië, Armenië, enzovoorts, nieuwe gevaren inhouden, die door hun onoverzichtelijkheid en nieuwe karakter misschien wel even dreigend zijn als vroeger.

Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat er belangstelling bestaat voor de Amerikaanse crisis. Ik wil dan ook niet betogen dat de Nederlandse lezer en kijker onthouden wordt hoe de Amerikaanse werkelijkheid er in 1992 uitziet. Hij weet of kan weten dat bedelaars en daklozen de stoepen der grote Amerikaanse steden bevolken, dat een op de zeven Amerikanen onder de armoedegrens leeft, dat van elke vijf kinderen er een in armoede opgroeit, dat de Amerikaanse justitie tien keer zo veel mensen opsluit als de Japanse of de Nederlandse.

Hij weet of kan weten dat de gezondheidszorg er een dieptepunt heeft bereikt, dat het onderwijs is verpauperd en dat in de steden de werkloosheid onder zwarte mannen in de afgelopen twintig jaar is vervijfvoudigd (nu ruim 25 procent), dat voldoende overheidsinvesteringen zijn uitgebleven, waardoor de wegen op veel plaatsen vol gaten zitten en bruggen wankelen. En hij moet zich ervan bewust zijn dat het rijke Amerika het grootste schuldenland ter wereld is geworden en onder de presidenten Reagan en Bush de nationale schuld meer dan verviervoudigd is.

Hem is verteld dat Amerika in de war is, dat het einde van de Koude Oorlog een identiteitscrisis heeft veroorzaakt, zoals Ben Knapen begin vorige maand geschreven heeft in zijn artikel "VS weten zich geen raad met hun rol in de wereld'. Daarmee zal het beeld gecorrigeerd zijn dat men zich misschien had gevormd op basis van enige voorbarige juichtonen over president Bush in diens mega-veldtocht tegen Irak.

Heel weinig is er daarentegen geschreven over de oorzaken van de malaise, waarin het rijkste land ter wereld is terechtgekomen. Die zijn natuurlijk ook moeilijker te beschrijven en zij zijn eerder omstreden. Graaft men diep dan moet men wel tot de conclusie komen dat het liberale individualisme uit de Amerikaanse traditie is verworden tot een niets ontziend consumentisme, waaruit elk gemeenschapsgevoel, elke consideratie met het algemene belang is verdwenen. De "business' van het huidige Amerika is "business', eventueel ten koste van de gemeenschap, zoals recente schandalen in Wallstreet en bij de leen- en spaarbanken hebben laten zien. De oude normen van fatsoen, zuinigheid, plichtsgevoel en ijver (de normen uit de protestantse ethiek) zijn ondergespoeld door de door de electronische media sterk bevorderde consumptie-orgie, waaraan Amerika eigenlijk al sinds de Tweede Wereldoorlog steeds meer ten prooi is gevallen.

Met Ronald Reagan kozen de Amerikanen een president naar hun (eerder harteloze) hart. Zijn beleid, jarenlang toegejuicht door heel wat Europese zakenlieden en bankiers, kan verantwoordelijk worden geacht voor een groot deel van het drama dat in Amerika's straten en velden te zien is. Door verlaging van de toptarieven bij de inkomstenbelastingen kregen Amerikaanse rijke kiezers (meestal) geldschieters van de Republikeinse partij) dramatische inkomensverhogingen. De rijkste één procent zag zijn inkomen verdubbelen. De rijkste twintig ging er vijftien procent op vooruit, de middenmoot zag zijn inkomen sinds het einde der jaren zeventig stijgen noch dalen, de twintig procent armsten gingen er elf procent in inkomen op achteruit. Van de 8,4 miljoen werklozen in Amerika krijgen er drie geen uitkering.

Omdat hand in hand met de belastingverlaging een gouden regen aan overheidsopdrachten werd uitgestort over de bewapeningsindustrie moest er onder Reagan bezuinigd worden. Een heel aantal anti-armoedeprogramma's, die uit de tijd van president Johnson stamden maar door Nixon waren voortgezet, werden geschrapt. Deze programma's waren de oorzaak van de armoede en niet de oplossing, aldus Reagan, omdat zij de armen niet stimuleerden de handen uit de mouwen te steken.

Dit beleid kan worden gezien als de politieke overwinning van de consumptiemoraal, die Amerika's enige ethische categorie lijkt te zijn geworden. Maar natuurlijk was het op deze manier niet de bedoeling van de middenklasse, die Reagan en na hem (voor ongewijzigd beleid) Bush aan de macht bracht. Deze klasse, die de meerderheid der geregistreerde kiezers omvat (de meeste armen stemmen niet), is eigenlijk met haar eigen reactionaire retoriek bedrogen en niemand hoeft zich er dan ook over te verbazen dat zij nu voor een groot deel achter het symbool aanholt van haar soort Amerikaanse droom, Ross Perot, die geen politicus is. Als Perot dit jaar de politiek ondersneeuwt met zijn honderden miljoenen dollars zal er bij velen in deze groep een gehuil van leedvermaak opgaan.

In Amerika heerst een diepe morele crisis, er is sprake van een ernstige sociale crisis, er is een crisis van een politiek bestel dat gepriviligieerden bevoorrecht, de middenklasse bedot en de onderste laag van de bevolking in bedwang wil houden zodat succesvol Amerika er geen last van ondervindt. Ten slotte is er geen sprake meer van overtuigend internationaal leiderschap, omdat een normatieve zelfdefinitie en een daarop geënte visie op de wereld steeds meer ontbreken. President Bush verpersoonlijkt dit manco. Van hem is slechts bekend dat hij graag president wil zijn en blijven. Met welk doel is duister.

Als het zonder dit Amerika niet gaat in Europa, dan zijn de Amerikaanse crises ook de onze. Dan gaat het niet aan alleen maar te betreuren dat Washington niet meer leiding geeft, of boos te reageren als de Amerikanen hun vertwijfeling verbergen achter kritiek op Europa, "dat het Joegoslavische drama niet weet op te lossen' (terwijl de enige aanwezige structuur voor actie de door de Amerikanen gedomineerde NAVO is). Dan is het nodig de Amerikaanse crisis als een crisis van het Westen te analyseren en de Amerikanen duidelijk te maken dat Europa niet anti-Amerikaans is geworden als het diep verontrust is over politieke ontwikkelingen in de Verenigde Staten die zo fundamenteel in strijd zijn met de politieke normen in West-Europa.

Maar zo'n dialoog zal niet tot stand komen als de Europese regeringen niets beters weten te doen dan onmiddellijk om te kieperen als de Amerikaanse president de telefoon oppakt en haar leiders toespreekt. Zoals gebeurde begin mei toen Bush, wiens standpunt is dat het bedrijfsleven niet gehinderd mag worden door milieubeperkingen, de EG-lidstaten er toe bewoog hun concrete tekst voor het klimaatverdrag voor de milieuconferentie in Rio af te zwakken tot een vage toezegging waar geen vervuiler last van zal hebben.