Wind en allure

DE RIJKSOVERHEID geeft 660 miljoen gulden per jaar uit aan voorlichting en reclame. Het is een verdrievoudiging binnen tien jaar. Dat getal is boven water gekomen met behulp van de Algemene Rekenkamer en dank zij volhouden van premier Lubbers, die al geruime tijd geleden een vermoeden van wildgroei in zijn tuin had geventileerd.

In een uitgebreide reportage in deze krant van afgelopen zaterdag wordt beschreven hoe de onderlinge concurrentie tussen departementen en de cultuur van het "scoren' een markt voor public-relationsbureaus hebben geopend. En dat niet alleen: ook de ambtelijke voorlichtingsafdelingen zelf, de opdrachtgevers, zijn gegroeid en voeden de publiciteitsmachinerie. Kortom, de handel in illusies floreert.

Dat geschiedt op kosten van de belastingbetaler en dat zou nog te verdedigen zijn als er enig zichtbaar collectief doel of verlangen mee werd uitgedrukt. De werkelijkheid is echter een heel andere. De allure-projecten zijn vooral een verfijning van de onderlinge particuliere strijd. Het is de schijn van slagkracht met als resultaat verlamming. Van ziekenfondsen tot leraarsopleidingen, van sociale diensten tot milieu-organisaties - allemaal zijn zij voortdurend bezig de aandacht op zich te vestigen, allemaal "scoren' zij dat het een lust is en allemaal hopen ze daarmee extra middelen binnen te halen. Soms leidt het niet alleen tot verlamming, maar is public relations ook een façade voor besluiteloosheid. Wie alle borden van Verkeer en Waterstaat in het landschap ziet staan, zou kunnen denken dat dat departement bruist van daadkracht, terwijl het aanleggen van een spoorlijntje meer dan een kwart eeuw in beslag neemt. Public-relationsbureaus - pro en contra - zijn met dat laatste waarschijnlijk al vele jaren druk.

KWALIJK IS dat het publiek hiermee het zicht op keuzes wordt ontnomen. De reportage gaf een tekenend voorbeeld: de gemeente Den Haag is honderden miljoenen kwijt, maar huurt een slimme pr-agent en komt met een gewiekste campagne om het spoor uit te wissen en nieuw overheidsgeld aan te boren. Het is niet verboden, maar hoe staat het met de geloofwaardigheid?

Kranten hebben het met zulke rookgordijnen moeilijk en doen bewust en onbewust mee. Ook deze krant zal er niet aan ontkomen - wat is fictie, wat is werkelijkheid? Is de reactie van een ambtenaar, burgemeester of minister op deze opiniepagina een eigen geluid, is het van zijn voorlichter, is het samenspraak - en dat is allemaal nog te verdedigen - of is het een ordinaire uitkomst van overleg tussen een voorlichter en een public-relationsbureau? En het rapport dat naar aanleiding van een congres wordt gepubliceerd - is het een bijdrage tot gezamenlijke oordeelsvorming of is het verworden tot een routine-truc om aandacht en geldstroom weer wat te verleggen? Haalt het congres dan ook nog de voorpagina en het Journaal dan schudden de organisatoren elkaar de hand. Het oogt betrokken en oprecht, maar ziet de burger wat hij ziet, leest de burger wat hij leest?

EEN DEMOCRATIE is geen besloten vennootschap. Het publieke discours kan niet zonder authenticiteit, niet zonder intellectuele zelftwijfel en aarzeling. Zonder zo'n discours komt een pluralistische samenleving niet aan algemeen aanvaarde waarden en normen. Als premier Lubbers nu - zeer bescheiden - het mes wil zetten in de aangekochte wind-en-allure bewijst hij niet alleen de belastingbetaler een dienst. Vraag blijft: hoe zet je het mes in wind en allure?