"Werkgevers trekken autochtonen voor'

DEN HAAG, 10 JUNI. Autochtonen die niet goed kunnen lezen of schrijven hebben toch een grotere kans op werk dan allochtonen die de Nederlandse taal wèl goed beheersen. Werkgevers zouden bij het selecteren van lager personeel meer moeten letten op de werkelijke capaciteiten van werkzoekenden, en minder op "onveranderbare' kenmerken, zoals geslacht, leeftijd, gezondheid en afkomst.

Dat schrijven prof. B.M.S. van Praag en K.W.H. van Beek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in een vanmorgen gepubliceerde studie. Opleiding, taalbeheersing, eerder opgedane werkervaring en eventuele loonkostensubsidies zijn van veel minder belang voor de werkgevers, aldus de studie.

De studie is gebaseerd op een enquête onder directeuren van kleine bedrijven en personeelshoofden van grotere firma's, eind 1989. De 312 respondenten werd gevraagd profielschetsen van gefingeerde sollicitanten voor bij hen bestaande vacatures te beoordelen. Het onderzoek bleef beperkt tot vacatures voor laaggeschoold personeel. De verantwoordelijkheid voor de ingenomen standpunten berust bij beide auteurs, zo meldt de WRR.

Van Praag en Van Beek berekenen de "voorkeurskans' die een (gefingeerde) sollicitant heeft boven een concurrent. Bij gelijke kansen bedraagt de "voorkeurskans' 50 procent. Uit het onderzoek blijkt dat de "voorkeurskans' van een allochtone sollicitant slechts 31 procent bedraagt, en als hij/zij op een commerciële functie solliciteert niet meer dan 22 procent. Uit welk land hij/zij afkomstig is, maakt niet uit.

Toch antwoordden de meeste respondenten op de vraag of zij afkomst belangrijk vonden als selectiecriterium, dat dit niet het geval was. Van Praag en Van Beek concluderen dat “voorkeur voor autochtonen een sociaal gevoelig onderwerp blijkt te zijn, want bij het ordenen van profielen selecteren de respondenten wel sterk op basis van etniciteit”.