Tegenslagen voor Europa's wonderkind

De Spaanse minister van financiën en economische zaken, Carlos Solchaga, is vanochtend tevreden uit Luxemburg teruggekeerd waar zijn collega's hem hebben gecomplimenteerd met het rigoureuze "convergentie-plan' waarmee hij zijn land al in 1997 de economische en monetaire wil binnenloodsen. Als die unie tenminste doorgaat - want de vrees voor een mislukken van "Maastricht' doet zich in Madrid nu al gelden.

Belangrijkste aanmerking van de overige elf was gisteren de hoge koers van de peseta, die nog altijd profiteert van een bandbreedte van zes procent binnen het EMS. Terwijl Solchaga beloofde daar ruim vóór 1 januari '94 iets aan te zullen doen, intervenieerde gisteren de Spaanse Bank om de munt hoog te houden. Sinds het Deense "nee' is het vertrouwen van investeerders in de ecu, de lire en vooral in de peseta namelijk sterk aan het afnemen. In nog geen week is de peseta ten opzichte van de mark anderhalf procent in waarde gedaald. Op zichzelf zou dat geen ramp zijn en misschien zelfs een aardig steuntje voor de exportpositie, als een aantal andere factoren niet zo tegen zat.

Wie afgaat op het plan dat Solchaga in Luxemburg voorlegde, moet geloven dat Spanje nog altijd het wonderkind is van de EG. Daarin wordt immers uitgegaan van een groei van het BNP die dit jaar ruim drie procent zou bedragen. Die drie procent is overigens al een half procent minder dan in januari werd verwacht, maar nog altijd veel meer dan volgens de centrale bank realistisch is. In een vorige week gepubliceerd rapport betwijfelt dit instituut zelfs of 2,5 procent groei nog haalbaar is. Die twijfels zijn gebaseerd op een duidelijk aanwijsbare afname van de lange-termijn investeringen in de Spaanse economie. De gouverneur van de bank schrijft dat in de laatste maanden verscheidene belangrijke buitenlandse investeerders de voorkeur hebben gegeven aan andere landen voor het realiseren van hun projecten, omdat de hoge loonkosten en (als gevolg daarvan) de forse inflatie Spanje lang niet meer zo aantrekkelijk maken als het tot voor kort was. In die omstandigheden moet in ieder geval de rente hoog blijven en de munt sterk, om nog een zekere aantrekkelijkheid voor het buitenland te handhaven en het tekort op de begroting en de betalingsbalans te kunnen financieren.

Solchaga hoopt de inflatie dit jaar terug te brengen tot vijf procent, maar in de eerste vijf maanden is de geldontwaarding harder gegaan dan in 1991 - het cijfer ligt nu boven de zes procent. Belangrijkste oorzaak zijn de salarissen in de dienstensector, die vorig jaar met 8,7 procent zijn gestegen. De eerste gegevens voor 1992 laten zien dat aan die stijging voorlopig nog geen eind gekomen is: de gemiddelde verhoging in nieuwe contracten ligt boven de acht procent. De regering heeft inmiddels de hoop opgegeven met de vakbonden tot overeenstemming te kunnen komen over loonmatiging en door een forse bezuiniging op de werkloosheidsuitkeringen zelfs een keiharde confrontatie uitgelokt. Eerste gevolg daarvan was de algemene staking van 28 mei, die door het kabinet als “mislukt” werd gekwalificeerd omdat slechts een deel van de werkende bevolking mee wilde doen. De bonden claimen uiteraard een succes en vinden dat het kabinet nu concessies moet doen, maar daartoe is premier Gonzalez niet bereid. Hij wil wel praten, maar alleen als de werknemersorganisaties zich bij voorbaat akkoord verklaren met het sociaal-economisch beleid van de overheid. Want de economische en monetaire unie moet worden gehaald. Solchaga legde zijn collega's gisteren uit, dat de akkoorden van Maastricht in Spanje op brede steun van de bevolking kunnen rekenen en dat een referendum daarom niet nodig is. De houding van de vakcentrales is domweg “niet representatief”.

Volgens het officiële Spaanse plan moet het overheidstekort in vier jaar tot één procent worden teruggebracht. Maar in het jubeljaar 1992 lijkt de haalbaarheid van dat streven verder weg dan ooit. In het eerste trimester zijn de inkomsten van de staat namelijk afgenomen en de uitgaven gegroeid, zodat de indicatoren precies de verkeerde richting opwijzen. Niet naar Maastricht, maar eerder naar Rome of Athene.

Eén belangrijke reden voor de Spanjaarden om naar buiten toe toch steeds te benadrukken dat er al een geweldige inspanning wordt geleverd voor de aansluiting bij de economische en monetaire unie, is het financiële voordeel dat men er van verwacht. Hoewel er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat het land allang bij de G-7 zou horen wanneer het de grijze en zwarte circuits in de economische statistiek zou opnemen, presenteert Spanje zich als het gaat om het loskrijgen van subsidies graag als één van de “arme landen” van de EG. In Maastricht wist het de instelling van een “cohesie-fonds” te bewerkstelligen ten behoeve van de verbetering van de infrastructuur. Madrid rekent erop, meer dan zestig procent van dit fonds te kunnen incasseren. Maar ook dat zou wel eens kunnen tegenvallen. De Duitse staatssecretaris Horst Kohler waarschuwde gisteren dat Solchaga deze inkomsten al wel in zijn plannen heeft verdisconteerd, maar dat de Duitsers de bijdrage aan dit fonds voorlopig nog niet in hún marsroute naar 1997 hebben opgenomen.