Staatverlaters

De moderne, de "postindustriële staat' is niet zozeer in verval, schrijft Ralf Dahrendorf; hij wordt niet "gedemonteerd' maar door zijn burgers verlaten. Het roept in zijn beknoptheid een glashelder beeld op van wat iedereen dagelijks ziet gebeuren. Eigenlijk zijn er twee ontwikkelingen waarmee iedere burger vroeg of laat in aanraking komt.

Alle postindustriële staten, de een wat meer dan de ander, huisvesten een groeiende groep waarvan "jullie rechtsorde is de onze niet' de leuze is. Wie hiertoe hoort, heeft geen idealistische motieven, stelt zich niet voor dat er een betere rechtsorde denkbaar is dan deze. Integendeel: hij vindt de geldende uitstekend. Hij denkt niet na over een betere orde maar over betere manieren om de bestaande nog grondiger te kunnen exploiteren. Hij is de parasiet van de orde die we hebben. Het "jullie rechtsorde is de onze niet' heeft in dit praktische denken een vervolg: "Maar wij willen graag dat jullie er niets aan veranderen, want jullie orde is ons jachtterrein.'

"Postindustriële staat' is een vaag begrip. Men kan er een geheel van staat en maatschappij mee bedoelen waarin de volledige werkgelegenheid is verdwenen, steeds meer mensen hun brood verdienen in de dienstensector, de produktie verder geautomatiseerd wordt, het opleidingsniveau van de toplaag onbereikbaar wordt voor de lagere regionen, de levensvatbaarheid van ondernemingen tot voortgaande schaalvergroting en internationalisatie dwingt en nog een lange reeks daarvan afgeleide aanpassingen.

In deze betekenis heeft de "postindustriële staat' niet een zeker evenwicht bereikt zoals dat in een voorbije periode met de industriestaat het geval was. De "postindustriële staat' is een eenheid die zich handhaaft in een reeks van min of meer revolutionaire aanpassingen. Daarin is geen van de oude instituten stabiel. De enige duurzaamheid, het onderwerp van dit stukje, is het parasitisme. De praktijk van alle dag bewijst namelijk dat de "postindustriële staat' een rijker jachtterrein biedt dan zijn min of meer evenwichtige voorganger.

Een jaar of vier geleden, misschien nog langer, ontdekten we dat "de kleine criminaliteit de pan uitrees', zoals het idioom toen wilde. Inmiddels stellen we met een zekere gelatenheid vast dat in Amsterdam één op de drie fietsen wordt gestolen. Er zijn gewichtiger kwesties aan de orde. Nederland wordt een belangrijk land voor de internationale georganiseerde misdaad; het biedt uitstekende mogelijkheden om geld dat verdiend is met zwarte handel in verdovende middelen of andere artikelen wit te wassen. Het officieel alarm daarover klinkt ook al niet voor de eerste keer. De openbare moord, dat wil zeggen het doodschieten, -steken, -slaan, op straat of in een café is geen opzienbarende gebeurtenis meer.

Het gaat me er niet om de litanie waartoe de "postindustriële staat' inspireert, hier te herhalen. We weten, omdat het dagelijks nieuws is, dat "onze rechtsorde' voortdurend en met een rijke verscheidenheid van technieken bloot staat aan een guerrilla. Daartegenover staat, behalve allerlei prijzenswaardige inspanning, een veelheid van organisatorische tekorten. Cellen, agenten, psychiaters, geld.

De ernst van een vraagstuk wordt bepaald door twee factoren: de duurzaamheid en de directheid. Als we het over de ernst hebben is het met beide in orde. Degenen die op de staat parasiteren - groot en klein, sluw en onnozel - doen het met een dusdanige frequentie dat ze een zeer grote verscheidenheid aan slachtoffers veroorzaken en daarbij een stroom van nieuws die in zijn continuïteit gelijk is aan het nieuws over "het Rode gevaar' in de tijd van de Koude Oorlog.

Deze veiligheidsvraagstukken zijn natuurlijk niet de enige van de "postindustriële staat'. Daarbij komen de vreedzame, even duurzaam: files, begrotingstekorten, immigratie en stadsvernieuwing, bij elkaar de andere litanie.

Toen de "postindustriële staat' zich een jaar of twintig, dertig geleden begon af te tekenen, de eerste symptomen nog beschreven en begrepen moesten worden, heeft men verondersteld dat bestanddelen van de burgerij zich van de politiek zouden afkeren of dat al hadden gedaan, doordat ze vervreemd waren geraakt. De directe lijn tussen bestuurders en bestuurden moest worden hersteld. In Nederland is D66 een gevolg van deze opvatting. Het is niet een partij van staatsverlaters maar van staatsherstellers. Over de manier waarop men dat daar wil doen kan men van mening verschillen, maar niet over de bedoelingen.

Vervreemding, inspraak, democratisering en politisering: het is allang niet meer het begrippenarsenaal waarmee men de vraagstukken van de "postindustriële staat' te lijf gaat. Degenen die de staat trouw blijven - dat is natuurlijk de grote meerderheid van het midden - willen tastbaarder maatregelen, directheid van de staat met zichtbare resultaten. De "postindustriële staat' heeft het ongeduld bevorderd.

De staat reageert daarop dikwijls onhandig, soms slecht. Bureaucratie verhindert de mate van directheid die de burgerij steeds dringender verlangt en waarop ze ook aanspraak maakt. De staat verontschuldigt zich: vlucht in de cosmetica, de niets betekendende slagzinnen, de public relations (men leze het artikel van Tom-Jan Meeus in de Zaterdagbijlage van deze krant) en de politiek hult zich in dat labyrint van uitwegen, de taal die in "politiek Den Haag' wordt gesproken.

Door deze opstopping van driekwart tot helemaal niet opgeloste vraagstukken kweekt de "postindustriële staat' zijn staatverlaters. Dat is de verklaring voor de snelle opkomst van Ross Perot in de Verenigde Staten waar de problemen oneindig veel ernstiger en ingewikkelder zijn dan bij ons. Staatverlaters en staatparasieten zijn tegenvoeters die, merkwaardigerwijze, elkaar vermenigvuldigen. Hoe minder doeltreffend de bestrijdingsmiddelen werken, hoe meer parasieten en hoe meer staatsverlaters.

Het drama van de "postindustriële staat' is dat die niet toestaat dat men hem verlaat. Er is geen alternatief voor dit complex, nergens in de "postindustriële wereld.'