Spoorwegen vrezen vertraging aanleg Betuweroute

DEN HAAG, 10 JUNI. De Nederlandse Spoorwegen hebben gedubt, maar er uiteindelijk toch mee ingestemd: de door minister Maij-Weggen (verkeer) ingestelde interdepartementale stuurgroep Ondergrondse Vervoers-Infrastructuur, waar ook de NS deel van uitmaakt, gaat de voor- en nadelen onderzoeken van gedeeltelijk ondergrondse aanleg van de Betuwe-spoorlijn voor het goederenvervoer van Rotterdam naar de Duitse grens.

De NS voelt weinig voor ondergrondse aanleg. Dat leidt alleen maar tot ernstige vertragingen en forse kostenverhogingen (van een project dat nu al op vijf miljard wordt geraamd) .

Een vertraging van de Betuweroute kan de NS niet hebben. Want het nu nog noodlijdende Goederenbedrijf van de Nederlandse Spoorwegen heeft de nieuwe lijn dringend nodig om te overleven. Als de Betuweroute gedeeltelijk onder de grond moet, is tegen de tijd dat de lijn ergens in de volgende eeuw gereed komt, NS Goederen waarschijnlijk al ten ondergegaan, zo klinkt het hier en daar dreigend.

Ing. T. Bangert, secretaris van de interdepartementale stuurgroep Ondergrondse Vervoers-Infrastructuur, benadrukt dat het voor de NS “allemaal heel gevoelig” ligt, temeer daar het verzet uit de regio tegen de nieuwe goederenspoorlijn groeit. Dat is volgens secretaris Bangert ook één van de redenen waarom de stuurgroep nog niet heeft besloten welk gedeelte van de Betuweroute zal worden uitgekozen om het vergelijkend onderzoek op los te laten.

Bangert wil uit alle macht voorkomen dat de indruk wordt gewekt als zou het onderzoek een opstapje zijn naar het besluit de Betuweroute al dan niet gedeeltelijk ondergronds aan te leggen. Het onderzoek is puur en alleen bedoeld om rijk, provincie en gemeente op de mogelijkheden van ondergronds bouwen te attenderen en om aan te geven wat de voor- en nadelen zijn van een ondergrondse tegenover een bovengrondse infrastructuur.

Een mogelijke vertraging van de aanleg van de Betuweroute, een belangrijke slagader voor de geplande groei van het goederenvervoer over de rails naar Duitsland) baart ook de Nederlandse transporteurs zorgen. Oud-minister Smit-Kroes, nu voorzitter van "Nederland Distributieland', heeft haar opvolgster Maij-Weggen al een brandbrief gestuurd met de boodschap dat discussie over ondergrondse aanleg van weg- en spoortracé's geenszins mag leiden tot vertragingen in de aanleg van geplande projecten als de Betuweroute.

Volgens Maij-Weggen is een ondergrondse infrastructuur de eerstkomende tien jaar niet haalbaar. Ze heeft het parlement onlangs laten weten dat ondergrondse aanleg van (delen van) de Betuweroute en de Hoge Snelheidslijn wat haar betreft niet aan de orde is.

Op haar departement lopen evenwel ambtenaren rond die er anders over denken. Een van hen, ir. W. Leeuwenburg, pleitte enkele maanden geleden in het blad Mobiliteitsschrift (overigens op persoonlijke titel, maar met vermelding van zijn functie bij Rijkswaterstaat), openlijk voor ondergrondse infrastructuur, in het bijzonder bij de Betuweroute. “Er is alle reden om ondergronds bouwen, zeker voor verkeers- en vervoerinfrastructuur, met kracht te stimuleren. De totale maatschappelijke en zelfs de financiële kosten/baten-verhouding van aanleg en exploitatie kunnen lager worden dan bovengrondse bouwwijzen (...) De enige conclusie voor de Betuwe-spoorlijn kan dan ook slechts zijn dat uitgaande van de door regering en parlement aanwezig geachte noodzaak, deze ondergronds kan en moet worden aangelegd.”

Leeuwenburg's openlijke pleidooi werd hem door de minister niet helemaal in dank afgenomen. De buitenwereld mocht eens denken dat Verkeer en Waterstaat druk doende is met blauwdrukken voor een ondergronds weg- en spoorlijnnet.

Wat Leeuwenburg in alle openbaarheid verklaart, zeggen Leeuwenburg's collega's binnenskamers. Ingenieurs op Rijkswaterstaat zijn ervan overtuigd dat de (maatschappelijke) grenzen aan de groei van het bestaande bovengrondse auto- en spoorwegnet, zeker in de Randstad, zo langzaam aan in zicht komt en dat ondergrondse aanleg een reële optie is. De voordelen die ondergrondse aanleg heeft op bestuurlijk, milieutechnisch en ruimtelijk vlak, zouden opwegen tegen de extra kosten die ondergronds bouwen met zich mee brengt.