Om de onderhandelingstafel

Valt met de fiscus handjeklap te spelen? Lange tijd gold als stelregel dat het belastingbedrag uit de wet voortvloeit en dus niet onderhandelbaar is. Waarom zou de fiscus iets prijsgeven wat hem wettelijk toekomt? Het ligt niet zo simpel. Niet altijd is duidelijk hoe de wet op een bepaalde situatie moet worden toegepast. Die onduidelijkheid schept onderhandelingsruimte. Belastingbetaler en inspecteur zitten dan om tafel om elkaars argumenten te wegen. Mocht er geen overeenstemming komen, dan is het de taak van de belastingrechter om de knoop door te hakken. Als de inspecteur tot een compromis komt om het procesrisico te verkleinen, dan wil hij nog steeds in dat specifieke geval voor de schatkist de maximale belastingopbrengst binnenkrijgen.

In het laatste decennium heeft een ander element bij de belastingheffing een prominente plaats gekregen: efficiency. Het meetpunt is niet langer alleen het individuele geval. Wat ook telt, is een kosten/baten afweging voor de hele belastingheffing. Al lang geleden is het beginsel opgegeven dat iedere belastingaangifte wordt nageplozen. Een belangrijk deel van de ingevulde biljetten wordt tegenwoordig ongezien geaccepteerd. Die behandeling is overigens alleen voor de betrouwbaar gebleken burgers weggelegd. Uit efficiency-overwegingen zou je ook premies kunnen geven aan degenen die de fiscus werk besparen. Al jaren geleden heeft een topambtenaar van de belastingdienst gedacht aan een no claim-korting voor nette belastingbetalers. Dat plan heeft het niet gehaald. Vreemd genoeg werd het omgekeerde wel werkelijkheid.

Sommige ondernemers die te weinig belasting hebben betaald, krijgen, mits zij de fiscus werk besparen, een korting aangeboden op de na te betalen belasting. Zij moeten zich dan zonder morren neerleggen bij de betaling van het lagere bedrag. Van hun rechten om zich te rechtvaardigen mogen ze geen gebruik meer maken. Er is voordeel aan twee kanten: de ondernemer komt er goedkoop vanaf en de fiscus bespaart zich tijd. Die kan hij goed gebruiken om bij een ander de boeken te controleren. Dat levert hem per saldo misschien meer op dan een langdurig gevecht om het restant van die eerdere correctie. In de fiscale wereld is die praktijk algemeen bekend. Het gaat evenwel om een gevoelig onderwerp. Er zit immers iets verdachts aan zo'n handjeklap. Rechtvaardigheid en efficiency voeren een ongelijke strijd. De betrokken ondernemer kan zich behoorlijk onder druk gezet voelen.

Dat was het geval bij een ondernemer die over deze praktijk klaagde bij de Nationale ombudsman. Het betrof de eigenaar van een financieel adviesbureau in Laren. In 1991 pluisde een belastingcontroleur de boekhouding van de afgelopen vijf jaar na. Hij kwam tot de conclusie dat er in totaal ruim 50.000 gulden meer winst was gemaakt dan de man had opgegeven. Om getouwtrek te voorkomen, deed hij de ondernemer een voorstel. Hij zou in zijn rapport schrijven dat er maar 25.000 gulden te weinig was betaald. Maar dan moest de financieel adviseur zich wel onvoorwaardelijk akkoord verklaren met die bijtelling van 25.000 gulden. Dat deed hij echter niet, waarop de correctie op 50.000 gulden gehandhaafd bleef. Toen de ondernemer later spijt kreeg van zijn onbuigzame opstelling, was het te laat. De inspecteur wilde nog wel tot een compromis komen, maar lager dan 40.000 gulden wenste hij daarbij niet te gaan.

De ombudsman had er allemaal geen moeite mee. Zowel de controleur als de inspecteur waren zijns inziens behoorlijk opgetreden. Ook kon de ombudsman het billijken dat de ondernemer het rapport waarmee hij had moeten instemmen, niet mocht inzien.

Het ging om een graag-of-niet aanbod, waarbij alleen de einduitkomst telt. Een verzekeringsmaatschappij mag best zo'n pakketaanbod doen. Maar of een overheidsorgaan zulke verleiders moet toepassen, is de vraag. De door de ombudsman gelegaliseerde onderhandelingspraktijk van de fiscus heeft in dit opzicht een duidelijke prijs. Anderzijds kan een efficiënte en snelle afhandeling van fiscale zaken zo'n groot belang zijn dat het de moeite waard is die prijs te betalen. Maar dan is het niet nodig deze praktijk in het duister te laten en er alleen over te spreken als er geen buitenstaanders in de buurt zijn. De staatssecretaris van financiën zou de spelregels voor dit soort onderhandeling in het Belastingstatuut kunnen zetten. Dat krijgt de burger waarborgen, zoals een gegarandeerde bedenktijd. Bovendien geeft zo'n openbaarheid de belastingambtenaren rugdekking en de volksvertegenwoordiging de gelegenheid mee te praten over dit gevoelige onderdeel van de belastingheffing.